Het tooneel

735 0
close

Warum möchten Sie diesen Inhalt melden?

Bemerkungen

senden
s.n. 1917, 08 Dezember. Het tooneel. Konsultiert 20 November 2019, https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/de/pid/vx05x26k1x/
Text zeigen

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software

Het Tooneel 3e Jaargang Nr 13 — 8 December m / Beheer en Redactie : Kerkstraat, 13, Antwerpen 15 Centiem Heer EMANUEL DURLET, klaviervirtuoos. Kon. Ned. Schouwburg "De Eer „ In nummer 11 van dezen jaargang zegden wij dat Sudermann met zijn eerste dramatische werk «De Eer», een succès behaalde, zooals nog nooit een drama was te beurt gevallen, zelfs niet aan «Cyrano de Bergerac». Waar'de Duitsche moderne dramatische kunst tôt dan toe nog niet was doorgedrongen deed zij hare intrede met «De Eer». Dat mocht dus wel een wonder heeten. Ge-kende dramaturgen moeten reeds heel wat op hun aktief hebben, eer zij er in slagen met een werk voor cîen dag te komen dat op al de schouwbur-gen van de beschaafde wereld vertoond wordt. Hermann Sudermann mocht dus wel van geluk spreken, meer dan geluk zelfs. Immers, de geschiedenis of de legende verluidt dat hij, door zijn vrienden aangespoord om, be-nevens romans en novellen ook eens de proef te wagen met een dramatisch werk, ten antwoord gaf: «Als ik een roman schrijf dan heb ilc de ze-kerheid dat hij weldra onder dak is. Maar een drama vergt veel arbeid, men is genoodzaakt het van den eenen directeur naar den anderen ter goed- of afkeuring te brengen, en, als het aange-nomen is blijft nog altijd af te wachten of het succès de moeite en het wachten loonen zal». — Eenige vrienden staken de koppen bijeen, onder wie de in 1912 te -Parijs overleden justicieraad Michaelis, die te zamen de som van 8000 mark bijeenbrachten. Die som moest den dichter het mogelijk maken in voile gerustheid aan zijn drama te werlcen. mocht dit zonder gevolg blijven, dan waren de 8000 mark «à fond perdu» gegeven, maar maakte het werk zijnen weg, dan zou de helft der «tantièmes» aan de inschrijvers uitge-keerd worden. Sudermann zette zich aan den arbeid, schiep «De Eer» dat het grootste financieel theatersucces aller tijden werd.-. Hed^n ziet men« De Eer» niet met ongenoegen terug, maar men is verbaasd, verwonderd over den bijval van vroeger en men glimlacht over ei-gen oordeel van voorheen. Jawel, vele jaren voorher, hadden we ons laten meesleepen en geloofd dat we her met een meer dan verdienstelijk werk te doen hadden. Maar we zijn aan beter gewoon gemaakt en aanschouwen nu «De Eer» van Sudermann als een romantisch produkt, met een naturalistisch sausje overgoten, vol hol en valsch gefrazeer en overdreven, bela-chelijke sentimentaliteit. Daarbij speelt in dees werk de tendenz een overwegende roi en wordt de moraal gepredikt als in de stukken van Augier, Sardou en Dumas. De groote publicist en gekende critieker Maxi-miliaan Harden, was een der weinigen die reeds vanaf het would-be succès van «De Eer», Sudermann durfde af te breken.Ook Heinrich Hart ging hem toen reeds te lijf en in 1896 gaf Alfred Kerr hem den genadeslag. «Aan hem, zegt deze laat-ste, is niet een haar echt, zijne werlcen toonen valsche gewichtdoenerij, valsche aandoening, val-schen hartst'ocht en valsche eenvoudigheid. Bela-chelijk is zijne karakterteekening: zijne personnages, onuitstaanbare theatermenschen, — geven zich zelve te kennen, praten in getempereerden vorm als in internationale feuilleton - romans... Sudermann is wellustig, pikant, een oppervlakki-ge waarnemer, een goochelaar». Te vergeefs trachtte Sudermann- in 1902 zich tegen de ruwheid van de Duitsche critiek te ver-dedigen. Zijn pleidooi «pro domo» was niet ge-lukkig en zijn afbrekers hadden gewonnen spel. Enkele zijner aanhangers waagden de veronder-stelling dat de romantische Sudermann weldra den zwakkeren dramaturg zou doen vergeten, maar sedert «Hohen Liebe» (1908) is die hoop niet ver-wezenlijkt.Wat er ook van zij, de schrijver van «De Eer» en van «Magda» is een vaardig en knap theater-man, die den toeschouwer weet te boeien en in te nemen op behendige wijze en hierdoor toont hij zich een heele baas in de techniek. «De Eer» is vocrzeker flink ineengezet. De te-genstelling : het voorhuis en het achterhuis is goed gevonden en geeft kleur en afwisseling aan het spel. Vooral het achterhuis met zijn natura- 1 listische schildering is best gelukt,beter zelfs dan die van het voorhuis.Men wordt onmiddellijk ge-waar dat Sudermann het proletariërsmilieu veel beter kent en er ook veel meer sympathie voor gevoelt dan voor het milieu van den handelsraad. Maar wat onzin moeten wij hooren wanneer over het begrip «eer» gesproken wordt. De graaf Trast is veeleer een karikatuur dan een reëel mensch, een nobel, denkend wezen. Voor hem is het woord «eer» van weinig beteekenis: een luxe-artikel. Hij zegt dat ailes betrekkelijk is in de wereld en dat wat hier aanzien wordt als eervol, op een andere plaats als schandelijk wordt beti-teld. En hij praat en predikt er maar op los. Hij zelf is een gewezen officier die ontslag moest nemen omdat hij een eereschuld niet kon voldoen. Aan dit weinig aangenaam moment in zijn leven wordt hij herinnerd en hij trekt zich uit den slag met een vertelsel: hij is in Thibet de gast geweest van een voornaam heer die. hem niet alleen een bad tôt opfrissching aanbood maar zelfs zijn eigen vrouw, volgens nationale zeden en gewoon-ten voor het... baden afstond en daar hij (de graaf) weigerde dit galant supplément te aan-vaarden, den gastheer door die weigering in zijn eer en trots zwaar beleedigde, beleediging; die ge-woonlijk met den dood gestraft wordt. Hij, noch-tans, is blijven leven!-• - Wanneer Robert wanh'opig is wijl hij vemeemt dat de oneer van zijn zuster betaald werd door den handelsraad met 40 duizend mark om de fout van zijn zoon goed te maken en de ouders van Robert die som heel gewetensvol en met veel vol-doeninç opgestreken hebben, zegt de graaf aan zijn vriend Robert, dat de ouders heel verstandig gedaan hebben. Als dan ten laatste Robert wil Iduelleeren zal de graaf die taak overnemen, maar wanneer hem geantwoord wordt dat hij, de officier die zijn eereschuld niet kon betalen en ver-koos zich niet te zelfmoorden, minder geschikt is iemand uit te dagen, en dus zelf geen voldoening mag erlangen, vergenoegt hij zich even te lachen. Een zonderlinge kwiebus dus die wel de laatste zou moeten zijn om over eerezaken te spreken en te prediken. Gevraagd en ongevraagd, telkens laat de schrijver hem op het gepast oogenblik opko-men.De ouders van Robert zijn menschen die den praktischen kant van het leven in eere houden, het spreekwoord indachtig: «Hebben is hebben en krijgen is de kunst», en die bij slot van rekening hun zoon voor onnoozel aanzien omdat hij de 40 duizend mark — het schandegeld — wil doen te-ruggeven aan den handelsraad. Hij wil voor hen ^ei-ken maar zij vinden: 't Is beter één vogel in hand, dan tien in de lucht! Zijn zuster Aima, het lieve kind, dat zich heel behagelijk heeft laten verleiden door Kurt, den Jpon van den handelsraad, is niet minder prak-,ch dan haar ouders. Zij zal zich wel wachten van den morgen tôt den avond te wroeten voor lutte! geld, met het vooruitzicht van een huwelijk n:c'- ce \cn p'.obèj ci, zooals er daar in de fabriek werken, die zijn loon verzuipi en zijn vrouw at-ranselt. Zij wil een fijne mai; en als zij die niet kriigen kan, ook goed, dan liever geen. Zij kan de waakzaamheid van Robert goed missen. «Meis-jes als ik», besluit zij, «gaan niet ten onder». Wij gelooven het gaarne. . Robert zelf, die hier de sympathische figuur zijn moet, de lijdensfiguur, en die door Sudermann met voorliefde geteekend werd.is ook al even zon-derling. Hij zalr ekenschap vragen aan den ver-leider'zijner zuster. Hij heeft een onderhoud met diens vader over de eindvereffening van zijn beheer in Indië, daar hij onslagen is. Hij heeft altijd de grootste vereering gehad voor zijn pa-troon, zijn ewldoener, den vader van den losbol Kurt, maar ook voor de lieve Leonore, die hij be-mint en die hem ook niet ongenegen is. Op een beleediging van Kurt wil hij deze omverschieten maar wordt tegengehouden door Leonore die het eoed gedacht heeft gehad bijtijds binnen te komen En nu hreekt de storm los: Robert verwijt den handelsraad een heele hoop mooie dingen : «Wij arbeiden voor U... wij geven U ons zweet en ons hartebloed... terwijl verleidt gij onze zus-ters en onze dochters en vergoedt ons de schande met het geld dat wij voor U verdiend hebben... Ik heb naar U opgezien als naar de heiligen: Gij waart mijn geloof en mijn godsdienst... En wat hebt Gij gedaan? Gij hebt mij het_hart van mijn familie ontstolen die, alhoewel gemeene bedelaars, ik toch nog lief heb... Gij zijt dieven, Gij!» En eenige oogenblikken later is 1113 de verlooi-de van de schoone Leonore en dus de schoonzoon van den handelsraad, den zweetdief, en den zwa-ger van den lieven Kurt, den losbol - meisjesver-leider.* * * Er was buitengewoon veel volk. Nog zelden zal er op Zaterdagavond zoo'n recette gemaakt zijn... Aan toejuichingen ontbrak het ook niet alhoewel er eigenlijk van enthusiasm niet mag gesproken worden. De vertooning mocht ons niet bevallen, men had van 't begin af den indruk dat het werk niet met de noodige zorg was ingestudeerd en dat, op zijn-minst genomen, een paar repetities aan de uitvoering ten goede waren gekomen. De rollen waren niet gekend, wat verlammend werkte op den gang van het stuk. Heer Bertrijn had een zware en ondankbare roi te vei-vullen. Het valsch pathos, de opgevijzelde vorouderde en venvat'erde sentimentaliteit welke hij voortdurend te declameeren had, stelde dezen goeclen en gewetensvollen acteur niet in staat zijn schoon talent te doen waardeeren. Hij scheen — wat heel zelden het geval is — door zijn memorie meer dan eens in den steek gelaten. In het laatste bedrijf echter was hij weer heelemaal de oude, goed op dreef, die zijn demagogische meetings-phrasen de noodige kracht wist bij te zetten. Heer Gorlé was goed, zonder ditmaal bijzon-derlijk uit te blinken. — Zijn stem was minder schoon dan naar gewoonte, veel scherper en on-aangenamer en zijn r-ldanken dreunden veel te ratelend de zaal in. Hij hoede zich daarenboven voor een zonderling gebaar, waarvan hij in den laatsten tijd misbruik maakt: het kijken naar de toppen van zijn vingers, wanneer hij iets twijfel-achtig* of gewaagd te zeggen heeft. Mevr. Dilis was de éenige die zich op het voor-plan wist te houden. Als moeder en echtgenoote was zij heel goed, zonder overdrijving in stem of gebaren, alhoewel haar roi zich daar heel gemak-kelijk toe leende. Heer Piet Janssens als vader Heinecke heeft gedaan wat hij kon, alhoewel wat meer rolvast-heid aan zijn spel niet zou geschaad hebben. Zijn typeering was heel gelukkig. Mevr. Bertrijn had goede momenten, bijzonder-lijk in het derde bedrijf, in het tooneel met haren broeder Robert, waar zij haar levensbeschouwing uiteenzet. Kurt, de losbollige zoon en meisjesverleider was heer G. Cauwenberg, en hij beeldde dien weinig moedigen Don Juan uit met de noodige distinc-tie. Zijn dictie was wel wat al te geaffecteerd en hierdoor ging veel van de voordracht verloren. Heer en Mevr. Ruysbroeck deden zich heel voornaam voor. De handelsraad van den heer Ruysbroeck was bijzonder goed getypeerd aan wie het echter aan welsprekendheid ontbrak. Mevr. Noterman kende zeer wel haar_ roi ; haar spel was ook heel gelukkig", maar de indruk van jeugd was het minder. De heer Van de Putte heeft zich heel flink en kranig gehouden. Zijn mindere losheid kwam hem in de roi van Lothar Brandt goed te pas. De andere rollen werden naar behooren vervuld door de dames Janssens en Hens en de heeren W. Cauwenberg, Angenot en Van Gool. N. In en Om de Schouwburgen «HET ZEVENDE GEBOD», tooneelspel in vier bedrijven van H. Heijermans Jr, komt Zaterdag 15, Zondag 16 (dag- en avondvertooning), Maan-dag 17 en Donderdag 20 December 1917 aan de beurt. Verdeeling : Samuel Dobbe: heer P. Janssens. — Moeder Dobbe, Mevr. Dilis. — Gaaike, Mej. J. Janssens. — De jonge Pastoor, heer B. Ruysbroeck. — Peter, heer L. Bertrijn. — Ricau-det, heer E. Gorlé. — Antoinette Ricaudet, Mevr. L. Hens. — Lotte, hunne dochter, Mevr. Noterman. — Bart, heer G. Cauwenberg. — Engel, Mevr. Ruysbroeck. — Aafje, Mevr. Thees. — De jufvrouw van drie hoog, Mej. M. Bertrijn. — De jufvrouw van éen hoog, Mej. J. Neyssen. — De kruidenier, heer J. Schmitz. — Een kruier, hr R. Angenot. VERWACHT. — «De Hinderlaag», tooneelspel in vier bedrijven van H. Kistemaeckers. DECORATEUR LAMBERT LAUREYS : Wij hadden dezer dagen de gelegenheid de werkplaats te bezoeken van den talentvollen decorateur Lambert Laureys, die de laatste hand legde aan de schermen van «De Domme August», de nieuwe operette die heden avond voor de eerste maal in «Palatinat» wordt opgevoerd. — De décors zijn prachtig en heel origineel opgevat. Het plein voor den cirkus, met de foorwagens, is best gelukt, de stalling van den cirkus eveneens. Overigens, heer Laureys is een onzer bekwaamste vakmannen..-Hij schilderde destijds voor het «Théâtre des Variétés» der Meir, meerdere schermen die fel werden bewonderd. Zoo noemen wij onder meer die voor «Parmi les Pierres» van H.-Sudermann, — «Dans les Bas-fonds»,van Maxim Gorki; «Résurrection» van Tolstoï; «Thermidor» van V. Sardou; «Le Grand Soir» van L. Kampf; «L'Homme qui assassina» van Frondraie, enz. Voor de Palatinat schouwburg borstelde hij o.a. de décors voor «De Onderzeeër», «De Graaf van Luxemburg», «De Bommelbaron», «De Klokken van Corneville», «De Dragonders van Villars», en last not least, — het heerlijk panorama van Antwerpen van de revue «O. W.» (Hymne aan de Schelae). «PEER DE KOSTER». — Het bestuur van deri Hippodroom - schouwburg heeft het beste werk van Pouillon gemonteerd, zooals dat tôt hiertoe nog niet gedaan werd, en dat wil wat zeggen als men bedenkt met wat luxe, schitterende décors en talrijk koorpersoneel de heeren Condès en Neut-gens al de stukken ineengezet hebben op de groote, ruime scène van hunnen prachtigen schouwburg. Er komt o.a. een char-a-bancs in voor be-spannen met paarden. Het tooneel in den bar met de barmaids en de lustige studenten — er zijn er veel meer dan vroeger — zal ophef maken. Ook fraaie balletten kon^en er in voor. Het succès zal dus wel buitengewoon zijn. «ALLEMANS VENTJE». — Na «Peer de Kos-ter» krijgen we «Allemans Ventje», door E. Gee-ten, een onzer stadsgenooten. Aan onze Lezers Onze lezers weten dat «Het Tooneel» — zoo wel als de andere bladen — maar op twee bladzijden mag verschijnen, zoolang de papiernood duurt. — Waar eenige onzer lezers schijnen onkundig van te zijn is het besluit van wege de overheid, waar-bij de prijs per nummer ONVERANDERD moet blijven, ondanks de formaatvermindering. Dit ge-zegd om aile misverstand te vermijden. Mev. M. Ruysbroeck-Tenvoordenu. Vanaf het seizoen 1892 - 93 tôt en met het speeljaar 1895 - 96 waren beide kunetenaars aan den Nederlandschen schouwburg van Gent ver-bonden, eerst onder de directie van heer Van Doeselaer, later onder die van heer Van de Kie-boom en ten laatste onder die van heer Gevaert. Na het afsterver. van Mevr. Gorlé kwamen zij echter weer naar Antwerpen, waar zij sedertdien bleven, opeenvolffens onder de besturen van : — Van Doeselaer, De Lattin en Van Laer, L. Bertrijn en A. Van der Horst en L. Bertrijn. uedurencie nare lange luupuatui >• Ruysbroeck o. m. Madame Beulemans in «Fientje Beulemans» door F. Fonson en F. Wicheler; Madame Boche in ' De Kroeg» door E. Zola ; Madame Klepkens in «De Familie Klepkens« door Hendrikx; Engel in «Het Zevende Gebod» door Heijermans ; Saart in «Op Hoop van Zegen» door Heijermans ; Anna - Maria in «De Opgaande Zon» door Heijermans ; Esther in «Ghetto» door H Heijermans ; Rebecca in «De Violiers» door Schuermann; Liesbeth in «Eene Misdadige» door N. de Tière; de moeder in «Kaatje» door Paul Spaak ; Moeder Barbeaud in «De Krekel» door Ch. Birch - Pfeiffer ; Moeder Pasmans in «Hij of Zij» door G. De Lattin ; Betty Sturhamm in «Flachsman als opvoeder» door Otto Ernst ; Ca-tharin® in Vriend Fritz» door Erckmann Cha-trian ; de Tante in «Fanny's Sonnet» door M. Sabbe ; Moeder Meinecke in «De Eer» door Su-derman ; Lotje in «De Gevolgen van een Leugen» door R Kneisel ; Francisca von Wendlowski en Augusta von Wendlowski in «Magda» door Sudermann; Lotje in «De gevolgen van een leugen» Alexander ; Catharina in «Zwarte Griet» door Rosier Faassen; Thérèse in «De ongeloovige Thomas» door Cari Laufs ; Jacoba van Bergen in «Door Tante's opgevoed» door R. Benedix ; Betty in ' Jane Shore» door Gittens ; Josephine Itru-ger in «Het kosthuis Scholler» door Cari Laufs; Vrouw Frochard in «De Twee Weezen» door M. d'Ennery ; Wantje de Spierinck in «Aangebrande Hutsepot» door A. Hendrikx ; Hertogiiv d Aube-terre in «Een beroemd procès» door d Ennery ; Madeleine in «Esmeralda» door Victor Hugo ; Ghebel en Julia Favellini in «Ben - Leil» door Victor Séjour ; Pelagie in «Pier - Lala» door A. Hendrikx ; Cornelia in «Roze Kate» door N. de Tière ; Jacqueline in «Korporaal Simons» door d'Ennery ; Madame Potard in «De Voddenrapers van Antwerpen» -en Prudence in «Margaretha Gauthier» door A. Dumas zoon ; Zéphinne 111 «De Twee Verstootelingen» door P. Decourcelle; Anaïs in «Zaza» door Berton ; Frau barones von Kahlen in «Baddoctoren» door J. van Maurik ; ! Moeder Etchepare in «Rechters Eerzucht» door 1 Brieux ; Roza in «Sabijnsche Maagdenroof» door von Schontau; Marie Louise in «'t Duistere punt» door ICadelburg ; Madai in «De Goudboer» door Ch. Birch-Pfeiffer; Mevr. Schirmer in «De Dom-kop» door Ludwig Fulda ; Moeder Renaude m «Het Meisje van Arles» door A. Daudet, enz. enz. Mevr. Ruysbroeck leert danig gemakkelijk van buiten. In talrijke omstandigheden bewees zij dit, wanneer zij,ingevolge onvoorziene voorvallen op 't allerlaatste momentje insprong, om de eene of andere artiste te vervangen, en dit van af het eerste jaar, dat zij aan den schouwburg verbon-den was. Steeds hield zij aangaande de weer te geven karakters er eene persoonlijke opvattmg op na, en hoe diep zij de kunstenaressen ook bewonder-de, wier taak zij overnam, toch presteerde zij steeds een nieuwe uitbeelding. Dit was o. a. net geval met Anaïs in «Zaza» en Vrouw Frochard in «De Twee Weezen», rollen, die zij wegens onge-steldheid van Mevr. Verstraete opnam. Voor ailes tracht zij de personnages natuurhjk en realistisch trouw te teekenen. Daar zij weet dat de opgever voor haar met bestaat, onthoudt zij hare volzinnen letterlijk van buiten. Ononderbroken reciteert zij wat zij moet van buiten leeren. Hoofdzakelijk studeert Mevr. Ruysbroeck des nachts of 's morgens bij het ont-I waken. * Wie met liefde zijn werk volbrengt, verfoeit op-pervlakkigheid; ook poogt deze artiste zelfs van de minst belangrijke roi iets te maken. — Betty Sturmann bijvoorbeeld in «Flachsmann als Op-| voeder» is slechts anderhalve bladzijde groot --Geruimen tijd dacht zij over die figuur 11a, lang-zamerhand groeide de type dier strenge onder-wijzeres, en met de voorstelling was zij zoo ge-kleed en zoo geschminkt, dat hare confraters haar bijna niet herkendrn. Wanneer eenige weken nadien heer Clauwaert. te Brussel,hetzelfde stuk voor zijn benefietavond uitkoos, werden als ^ast verzocht, heeren Hubert Laroche, Louis Bertrijn en Mevr. Ruysbroeck. Dit voorbeeld bewijst duidelijk,dat er voor gewetens-volle, ware kunstenaars geene kleine rollen zijn. Niet genoeg geeft men zich over 't algemeen re-kenschap, hoe oneindig moeilijker het is om een oppervlakkig geteekende, ondergeschikte figuur uit te beelden, dan een hoofdtype, wiens gemoeds-toestanden door den auteur reeds scherp forsig omlijnd werden. Bewust harer rolkennis, weet Mevr. Ruysbroeck bijna van geen «trac». Wel gebeurt het haar eens, zenuwachtig te wezen wanneer zij nog op haar loge is of als zij nog achter de schermen staat, maar niet zoo spoedig verschijnt zij voor 't voet-licht of zij gevoelt zich even rustig als in de meest banale omstandigheden. Eens, — Mevr. Verstraete was ziek geworden, -- moest zij eene roi, geheel buiten haar genre, Julia Flavelli in «Bel Leil», overnemen. Zoo zeer was zij bezorgd om het vlot van stapel loopen van het tooneel tusschen de twee moeders, dat zij den opgever, heer Fé Materne, ging vinden en hem zegde, terwijl zij hem vriendelijk op den sehouder klopte : — Indien ge van avond flink souffleert krijgt ge twee frank van mij. En zoo was met de voorstelling hare aandacht gespannen dat zij woord voor woord begreep. — En ik heb Fé de beloofde som gegeven, — lachtte zij. Het Antwerpsch gezelschap zou «Kaatje» spe-len, te Brugge, ter gelegenheid van eene schouw-burginhuldiging.Op Zondag voormiddag, één uurtje voor het vertrek, kwamen de heeren De Lattin en Van Laer bij Mevr. Ruysbroeck aanbellen, en brach-teti haar het nieuws dat Mevr. Verstraete niet kon optreden en er werk voor haar was. — Onmogelijk, heeren, dat gaat niet. Ge zult het best begrijpen. 't Stuk van heer Paul Spaak is in verzen, woord voor woord moet men nazeg-gen of ailes loopt mis... Neen, dat kunt ge van mij niet vergen. — Dan moet ge de roi maar lezen! Niets hielp en van de nood werd eene deugd gemaakt. In den trein las en herlas men cle rollen luidop, tôt men de statie van Brugge binnen-stoomde.Daar stond heer Arie Van den Heuvel hen af te wachten. iHj keek niet weinig verbaasd op, wanneer hij Mevr. Ruysbroeck zag uitstappen. — Kijk, Marie, jij hier, en waarom ? — Ik kom voor me loi, jokte zij. — Nee!... ; Een nieuwe teleurstelling wachtte het gezelschap aan het theater : er kon geen spraak zijn i van eene herhaling. Met het eerste bedrijf had Mevr. Ruysbroeck hare roi tegen de achterzijde van de leuning van eenen stoel gefixeerd; met het tweede bedrijf lag zij op een kantkussen, en met het derde op tafel. Bij de lichtste aarzeling wierp zij een oogslag op de reddende papiertjes. Na afloop der vertooning wenschten verschil-lende heeren haar geluk. — De annonce aan het publiek was overbodig, voegden zij er aan toe, men merkte niets van uit de zaal! Te Amsterdam beleefde zij een avontuurtje,dat het voorgaande in de schaduw stelt. Zij sprong in als fee in het tooverspel «De Gelaarsde Kat». — Wanneer heer Blaser,de regisseur, hare roi over-handigde, zegde hij: — Verzen hoeft u niet van buiten te leeren, die worden gezongen. Maar hij had zich gedeeltelijk vergist, en zag kort voor de voorstelling zijne missing in. — Die anderhalve bladzijde moet u bepaald kennen; zij kunnen onmogelijk geschrapt worden, daar zij heel het stuk uitleggen. 't Was een herrie van belang. — Gaat weg--- allen... scheert u weg! beval Mevr. Ruysbroeck, en terwiil zij zich scnminkte overlas zij de verzen aandachtig. Een half uurtje nadien stond zij kant en klaar. Maar men had haar verzwegen, dat zij dit ge-dicht moest uitgalmen, staande boven op eene hoo-ge kolom. Bij middel eener dubbele ladder kwam zij op de zuil, waar men haar vastbond. Mevr. Ruysbroeck, die gauw duizelig wordt, was weinig gerust op die lichtjes bewegende kolom. Plots zag zij voor de schermen opengaan, langs aile kanten clreven wolken voorbij en zij verloor het bewustzijn. Hoelang zij in dien toestand verkeerde, weet zij niet, maar van verschillende zijden hoorde zij opeens zacht fluisterende stemmen, haar opge-vend: «Schuilt de misdaad in het duister...» Zij keek naar de duizende oogen op haar geves-tigd van uit de ruime zaal «Het Volkspaleis» ge-naamd, en zegde de verzen op, als in een droom, zonder de minste aarzeling. Het doek viel dicht... — Eenig! eenig!--- riep de regisseur. Tôt van-j daag toe verliep dit tooneel nooit zoo flink. Mevr. Ruysbroeck heeft een zeer gemengd re-pertorium. Zij weet de menschen zoo weer te geven. dat men zich in het werkelijke lpven ver-plaatst voelt. Met voorliefde vertolkt zij natuur-lijk behendig geteekende rollen, wat niet belet, dat zij vaak bewees, typen, door de auteurs ver-waarloosd, toch op het voorplan te brengen. Zij is eene dier kunstenaressen die het vermogen een slecht stuk aldus uit te beelden dat de toeschou-wers den indruk opdoen een flink ontleed spel te zien. Door hare diep ingewortelde liefde voor hare kunst is zij eerlijk tegenover zich zelve, en presteert zij steeds onberispelijk, volmaakt werk. Zulke artisten dwingen eerbied af. JAN DE SCHUYTER. ue xaeansren HET RAD VAN AVONTUUR. Ons leven is niet altijd dezelfde oude last, onze weg is niet altijd dezelfde lange reis. RAB. TAGORE. Als leevjongen reeds had Suske Janssens aardig kunnen fluiten!-.- De liefde tôt de muziek zat hem in het bloed. Een jaar na zijn huwelijk met Mieke Dinge-mans, zij woonden in de Diepestraat, vverd hen een zoon geboren die Jan gedoopt werd. De kleermakersgezel, die heelder dagen op zijn tafel zat, enkel 's Zondags een pintje ging drin-ken en 's Maandags naar den winkel ging met werk, leerde toevallig de voorzitter kennen der ; «Socialistische Trompetters». Zijn onmiskenbare aanleg en zijn lust om 's avonds eens een luchtje te kunnen scheppen noop-ten Jiem zich als hoornblazer te bekwamen en zich als lid te laten voordragen. — Ik ben daarom nog geen socialist, veront-schuldigde hij zich toen hij naar de eerste repe-titie ging, neen, Mieke, een socialist ben ik niet al ga ik nu bij de trompetters. — God beware ons, zei zijn vrouw, die het trompetten met geen goed 00g aanzag. Wanneer hij tamelijk laat thuis kwam meende hij, terwijl hij onder de dekens kroop: — Die socialisten zijn eigenlijk goei jongens, Mieke! — Maar plakkers, gromde zijn vrouw en keer-de hem den rug toe. Suske zweeg maar, liet de bui overdrijven en oefende zich in al zijn verloren oogenblikken in het hoornblazen. Hij ging dan naar de slaapka-mer, sloct de deur en blies!--- Zoohaast het wat vlot ging trompette hij in het open raam tôt vreugd der kinderen uit de buurt. Zijn schoonste oogenblik beleefde hij als hij voor de eerste maal in een stoet mocht meegaan achter het roode vaandel. De wind sloeg in de vlag en de muziek schetterde en jubelde. Mieke, die den stoet had zien voorbijtrekken, was er door aangedaan. 's Anderdaags kocht hij voor de^eerste maal een socialistisch dagblad en, .na zijn katholiek krantje te hebben opgezegd, abonneerde hij zich op het orgaan van de parti j. Een week later liet hij zich als lid inschrijven, en veertien dagen nadien werd hij ingelijfd bij de vrijdenkersclub en de "vakvereeniging. — Nu zijn we socialist, verklaarde hij met voldoening.— Gij, maar ik nog niet, zei Mieke snibbig. — Dat zal wel komen, vergoelijkte Suske. Aan het feest, waar men de Commune herden- ken zou, verleenden de trompetters hun welwilleru de medewerking. Mieke zat in de zaal en vond liet er erg gezellig. Op den zijmuur las zij : Werklie-den, aller landen, vereenigt u!... Tegen den achtergrond was de geblinddoekte gerechtigheid geschilderd en een smid. — Een dikke, blonde Mijnheer kwam op de tribune, brabbelde een paar woorden in koeterwaalsch, sprak daarna een fransche redevoering uit met geweldige bewegingen van zijn armen vergezeld. Het publiek juichte hem toe en weer speelde de muziek. Maar van heel het feest trof haar maar een lied: «De Wees van den Communard». 's Anderdaags moest Suske haar de woorden be-zorgen, en spoedig zongen man en vrouw terwijl ' hij naaide en zij haar huiswerk deed: 't Was in December, 't sneeuwde hevig, Toen gansch Parijs was strijdgezind; Een Communard die drukte stevig, Aan zijne borst zijn eenig kind. De moeder weenend zonk ter neder, Maar 't uur was daar, fel sloeg de trom; De man ging heen en 't kind vroeg teeder: Zeg, vader, komt ge wederom? Mieke weende wanneer zij het refrein herhaal-de, waarin de moeder aan haar kind bekent: Uw vader, arme kleine, Getrouw aan zijne vaan, Die viel voor 't eedle, reine, Voor 't vrije volksbestaan. — Suske, snikte Mieke, ik ben nu ook socia-l'ist.— Dat doet mij veel plezier, zei Suske blijge-zind.Samen kochten zij een beeldje van Marianne met de phrygische muts en de roode vlag. Sint Jo-zef, die zoolang op den schoorsteenmantel had ge-troond, moest de plaats ruimen, zij gaven hem cadeau aan de dochter van den timmerman uit het achterhuis, die op trouwen stond. Het wijwater-vat met het Christusbeeld uit de slaapkamer werd eveneens aan kant gezet en vervangen door een portret van den dikken Mijnheer. Mieke werd bij de Socialistische Vrouwenclub ingelijfd. Rond dat tijdstip verkeerde zij opnieuw in ge-zegenden toestand. Eens zongen zij : «Is er een God?» en zij waren begeesterd door de woorden: Als God er is waarom laat hij de menschen Den eenen goed, den anderen boos en slecht? Waarom laat hij zich dagelijks verwenschen Waarom doet hij op aarde dan geen recht? — Mieke, ons kind wordt niet gedoopt, besliste Suske. — Waarom niet! — Allemaal onzin--. en wat zouden de gezellen wel zeggen! — De meesten doen het toch! — Men heeft princiepen of men heeft er geen! — Dat is waar, bekende zij peinzend. — En wij zullen zoo eens een anderen naam geven aan het kind... geen naam van den alma-nak!— Hoe zullen wij het dan heeten? — Dat weet ik niet, dat zullen wij eens aan den secretaris van den Vrijdenkersbond vragen, dat is 'n schoolmeester en die kent zoo'n schoon namen. — Maar ik zou toch doopsuiker willen, al was het maar voor de baker... De secretaris Peeters werd aangesproken. — Wij zullen een burgerlijk doopfeest houden. • verklaarde Peeters gewichtig, dat hebben wij bij de geboorte van mijn zoon, Praxiteles, ook gedaan.Het was een meisje. Peeters kwam den Zondag-namiddag met een paar vrienden - trompetters en hun vrouwen, leden der Vrouwenclub--- De baker . schonk de chocolade in de bebloemde kopjes en sneed het krentenbrood. De boorling lag in de wieg naast het bed der moeder die, met vroolijke I oogen, de doening volgde. Zij droeg een kanten muts met een hemelsblauw lint cloorstoken en speelde achteloos met 'en zilveren ldater, een ge-schenk der genoodigde .. — Op het nachttafeltje stond een schotel met suikerboonen en kapittel-stolq'es. Na de chocolade werden er borreltjes ge-schonken, Elixir d'Anvers voor de vrouwen en Franschen voor de mannen. Maar voor er geklonken werd hield Peeters de dooprede, en zei ongeveer: — Burgers ! Ver^aderd zijn wij, om een feit van groote beteekenis te herdenken. Stilaan toch maakt de mensch zich vrij van de kluisters der kerk,van den invloed der domperij en van het roomsch bedrog! Een koppel moedige vrijdenkers luisteren slechts naar de stem der Rede en onttrek-ken een kind aan de dienaars der duisternis! Bur-ger en burgeres Janssens, in naam van de vrijdenkers wensch ik u geluk! De toekomst is aan ons... — En gij, pasgeboren burgeresje, door uw ouders voorbestemd om slechts de wetten der Na-tuur te erkênnen en het menschdom te helpen ont-slaven, vergeet nooit dezen gedenkwaardigen dag waarop ik u. in naam van de strijders voor het licht, u doop Ubertas, Marianne! — Ubertas was bij de Romeinen het zinnebeeld der aardsche vruchtbaarheid, de schoone. vrouw, die den hoorn des overvloeds uitstortte. — Marianne is de verpersoonlijking der sociale republiek in de toekomst. — Burgers, ik hef het glas omhoog en drink | op den vooruitgang onzer gedachten. Ubertas - Marianne begon in haar wieg te krij-ten, kreeg van de baker een droge bussel en van de moeder een borst. Dan zongen zij in koor: Wat zijt gij wreed, gij rijken in uw weelde, Die met uw goud. uw arme broers verdrukt, In d'overvloed, vergeet gij den misdeelde, Die als een slaaf zich aan uw voeten bukt. Na deze gebeurtenis werd Mieke door de Vrouwenclub tôt vaandrig gekozen. Suske blies bij de trompetters, Mieke droeg het roode vaandel in de stoeten, Jan en Ubertas-Ma-rianne groeiden als bloemen op een veld. Het gelukkig huishouden, waar men van 's morgens tôt 's avonds laat zong, zoodat de distelvi.nk er stil door geworden was, ging vooruit in wel-! varen. Zij leefden zuinig en spaarden wat te sparen viel. Toen Mieke de eerste honderd frank bijeen had, liet zij de vijffrankstukken rinkelen en vroeg bedachtzaam : — Wat gaan wij er mee doen, Suske? — Van geldzaken heb ik geen verstand, weerde hij af en krabde zich achter zijn linkeroor. — Ja maar, zullen we het op een spaarboekje zetten of een lot van Antwerpen koopen? — Ik weet het positief niet.-- Mieke speelde met het zilvergeld, staarde droo-mend naar het Mariannebeeldje, streek de krul-haarkens achter de ooren. — Wij koopen een lot, besliste zij, dan hebben wij nog eens kans in de trekkingen-.. — Zooals gij wilt, gaf Suske toe, zeer tevre-den dat de moeilijkheid was opgelost. In den loop der jaren hadden zij zoo zeven HEER LAMBERT LAUREYS, Decorateur. statlsioten gekoenu... MieKe Kinpie regeimaug «e coupons, maar keek nooit naar de nummers flie in de trekkingen uitkwamen. En het leven was er niks minder aardig om--De interest diende om kleinigheden voor de kinderen te koopen. Maar de goede geest, in dit geval een wissel-agent, waakte voor hen. Zij waren vijftien jaar getrouwd, Jan zou weldra zijn vader gaan helpen op de kleermakerstafel, toen zij vernamen dat een liunner loten de hoofdpremie gewonnen had. Ver-bauwereerd kwam Mieke thuis. — Suske, gilde zij, weenend bij het binnentre-den.— Wat is er gebeurd, vroeg Suske bleek van angst. — Wij, wij hebben het groot lot uit, honderd-duizend frank! — Honderdduizend frank ?... En moet ge daar nu voor schreeuwen ? — 'k Heb zoo verschoten toen de wisselagent het zegde..- het-zakte puur tôt in mijn beenen... Wat gaan wij nu aanvangen? — Maar, dan zijn wij rijk, besefte Suske. — Ja, erkende Mieke en begon opnieuw te hui-len.— Dan doe ik geen steek meer, verklaarde Suske, dan gaan wij rentenieren. Jan en Ubertas - Marianne kwamen uit de school. — Jan, zei Suske, ga eens voor een frank si-garen koopen, zeg dat het voor mij is... van die goei... en daar breng een flesch Franschen mee... we moeten toch een borrel drinken op ons geluk... — Wat geluk, vroeg Jan. — We hebben het groot lot uit, snikte Mieke droef. — Is dat om te weenen, misprees de jonge Ubertas - Marianne. — Neen, kind, maar 't heeft me zoo gepakt... Ubertas, ga eens pateekens komen... adt kan er op af.-- — Maar zwijgen, kinderen, vermaande Suske, de geburen moeten het nog niet weten... De kinderen beloofden het, maar eer het avond was wist heel de wijk het groot nieuws. Zij kre-gen ruikers van de winkeliers en de beenhouwers, gelukwenschen van bekenden en onbekenden. Het was een zeer bewogen dag. Te bed lagen zij wakker onder de spanning hunner zenuwen.In de kamer viel een vagen schijn van het lantaarnlicht van den overkant. — Ik vind, opperde Suske, dat de Trompetters wel eens hadden kunnen komen... En Peeters hebben wij ook niet gezien ? De vreemden waren nog hartelijker dan de vrienden... Ik zal dat in mijn mouw steken!... ;— Och, Suske, zoo zijn de menschen, troostte Mieke; van de Vrouwenclub heb ik ook niemand gezien... de vrienden gunnen den dag van vandaag elkaar nog het licht van hun oogen niet... De socialisten zijn al niet beter dan de rest! — En die willen de maatschappij verbeteren!■■■ — Suske, ik geloof dat wij nu naar een huis moeten uitzien...'wij kunnen hier toch niet blijven worien, nu we cens hebben... ed kinderen worden groot en moeten opvoeding krijgen... — Ja, en wij mogen er ook het onze van ne- — men, wij hebben lang genoeg gewerkt... Een huis met een hofken, zoo ieverans in Berchem... — Ja, daar is het rustig om leven en 't is daar zoo deftig... — Morgen gaan wij er op uit! Zij zochten een huis, liepen overal rond om hun geld te plaatsen en de woning te stoffeeren. 's Avonds was Suske zoo moe dat hij er niet aan dacht naar de repetitie der blazers te gaan. — Ze zullen het zonder mij wel stellen, zei Suske. — En als zij niet komen hooren waarom gij af-wezig waart, dan is het een teeken dat ze met u niks inzitten, en dan geeft ge simpel uw ontslag!-.. — Maar!... > — Het past toch niet voor een rentenier van met de trompetters in een stoet te loopen!... — Ge kunt gelijk hebben, bekende Suske dee-nioedig.De trompetters lieten van zich niet hooren en Suske diende zijn ontslag in ; Mieke volgde zijn voorbeeld in de Vrouwenclub. De verhuiswagen kwam om de oude meubelen op te laden die naar het nieuwe huis moesten overgebracht worden. Suske stond aan de deur te zien, en rookte uit zijn nieuwe. meerschuimen pijp. De gazetleurder kwam met het socialistisch orgaan. — Ge moet de gazet niet meer bi*engen, baas, wij verhuizen, verwittigde Suske. Het was nu uit met blazen. Ubertas-Marianne zou pianoles krijgen en Jan moest viool leeren... Hij zou dan luisteren, enkel luisteren .naar de muziek. Hij voelde een vleugje triestigheid over hem komen en wandelde weg. Boven hield Mieke het broze, roode Mariannebeeldje in de handen. Zij stond in tweestrijd, — Plots ontglipte-het haar en het plaasteren ding viel aan stukken. Zij keek nog eens door de leege kamers, zag het portret van den dikken leider aan den muur... Dat neem ik niet mee, peinsde zij, nu beginnen wij een nieuw leven. Het laatste afscheid gold de kruidenierster. — En trekt ge nu zoo ver uit de buurt, Madame?...t-t- Ja, we gaan in onzen eigen steen wonen! — En is het waar, Madame, dat ge niet meer bij de socialisten zijt, fluisterde de vrouw ? — Ja, Madame, er is zooveel gemeen volk bij... en dat is onze aard niet... wij gaan nu stillekens van dit volk, dat zooveel geleden heeft. — Van eigens, Madame!-.. LODE BAEICELMANS. Een Boek van Em. de Bom In de Nederlandsche Bibliotheek verscheen van Em. de Bom een bundel verspreide stukken door hem getiteld «Het levende Vlaanderen». Wie, zooals wij, nu in de gelegenheid was deze opstellen en artikels te herlezen die vroeger in krant en tijdschrift verschenen, zal dit werk van de Bom waardeeren om de onverpoosde en onver-moeide ijver waarmede de schrijver jaren lang zich inspande om belangstelling te wekken voor schrijvers en kunstenaars,voor Vlamingen van beteekenis.Maar niet alleen om deze belanglooze en geest-drifti^e opwekkin^ tôt waardeering, zal den aan-dachtigen lezer dit boek sympathiek zijn maar ook en vooral om de degelijke kenschetsing van de behandelde figuren, om de eenvoudige raakheid het bijzondere en levendige dat den handigen stylist in elk opzicht eigen is. Waarom heeft toch de Bom met zijn schrijvers-aanleg zoo weinig eigen werk geschonken ?••• Was hij niet te veel bekommerd om anderen in te leiden? Deze vragen stelt men zich onwillekeurig. De gebundelde opstellen bieden de verrassing van iets dat u gemeenzaam is en waarvan men plots, bij overzient, maar eerst de schoone hoeda-nigheden van ontdekt. «Het levende Vlaanderen» is daarom een boek voor velen. Hoe kwam de Bom er toe zijn verspreide stukken te verzamelen? In zijn inleiding schrijft hij: « Een jong volk is eindelijk herboren, de gedach-te leeft in ons en is onuitroeibaar als ieaere levende gedachte. « Wat Willems, Rodenbach. de Raet hebben gedacht is nu in ons een wezenlijkheid geworden. « Wie met klaren blik den steigerenden wil -om - te - blijven - leven van dit volk kon gade-slaan. moet zich verwonderen over de taaiheid vand it volk, dat zooVeel geleden heeft. «Wat wordt nu de toekomst? Zullen wij in den stormvloed toch ten onder gaan? Zal dit onze laatste stuiptrekking zijn geweest? « Als Vlaming heb ik me dit afgevraagd, en — als eenling, die immer deed wat zijn handen von-den om te doen, en in dien bestaansstrijd van zijn volk zijn bescheiden aandeel heeft gehad, — moest ik ook een zoendag houden over eigen den-ken en doen Waar ik me links en recht1?. innr na

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dieses Dokument ist eine Ausgabe mit dem Titel Het tooneel gehört zu der Kategorie Culturele bladen, veröffentlicht in Antwerpen von 1915 bis 1940.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Zufügen an Sammlung

Ort

Zeiträume