Het tooneel

437 0
close

Why do you want to report this item?

Remarks

Send
s.n. 1917, 26 May. Het tooneel. Seen on 13 August 2020, on https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/en/pid/0r9m32p15h/
Show text

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software. 

Het Tooneel 2e Jaargang ; N' 37 26 Mei 1917 Beheer en Redactie : Kerkstraat, 13, Antwerpen 10 Centiem 1 111 Toontie Janssens Mev.Dilis-Beersmans h. — We mogen «Othello» door Shakespeare,toch niet vergeten. — Inderdaad, ik vind A m al i a eene der meest complexe en moeilijk "weer te geven rollen. — En «Spoken» door Ibsen? — Och ja, en triest vertrok zich het gelaat der groote kunstenares Mevronw A 1 v i n g- uit-beelden is mij zoo pijnlijk. — Ik las in eene destijds over U verschenen studie, Mevrouw, dat het dank is aan uwen keus j en aan dien van uwen echtgenoot,naar aanleiding uwer benefietavonden, dat enkele der opgesomde meesterwerken, werderi ingestudeerd en op het repertorium kwamen.De schrijver van bedoeld ar-tikel liet met recht uitschijnen, dat door die uit-zonderingsavonden, ware kunstenaars in de gele-genheid zijn om aan het publiek de maat van hun willen en hun kunnen te toonen. — Dit is zoo! Echter gaat dat meestal niet van een leien dakje. Er worden heel wat stokken in het wiel gestoken. Wanneer onze keus op «Ham-let» van Shakespeare viel, brak de storm los, een stoi'm van belang, maar toch werd het stuk ver-tolkt, besloot Mevr. Dilis, nog tevreden, dat niets haar toen van haar besluit had kunnen doen af-wijken.Van af 1884 bleef zij ononderbroken aan den Nederlandschen schouwburg van Antwerpen ver-bonden.Wel stelde men haar menigmaal voor naar Holland weer te keeren, maar steeds weigerde zij. Zoo werd zij onder meer gevraagd door M. Frits Bouwmeester en door de Rotterdammers, maar ook die verzoeken werden van de hand gewezen. Op 19 November 1899 beleefde Mevr. Dilis haïe grootste levenssmart. Hare moeder, Catharina Beersmans, oveileed.Maat 't onverbiddelijk egois-tisch leven liet zijn rechten gelden, voor het acht dagen verder was. Het publiek wou lachen, en Mevr. Dilis moest optreden als eene modiste in een zot blijspel: «Zenuwachtige Vrouwen». — Zij speelde uit gewoonte, zonder te weten wat zij ver-telde, mekanisch. En die honderden oogen der toe-schouwers tuurden naar haar gaan en komen, maar zagen niet dat in haar oogen tranen perel-den, en het publiek lachtte... lachtte luidkeels en juichtte toe, tevreden om 't verschaft vermaak... Mevr. Dilis leert danig gemakkelijk. Over het algemeen begint zij met de roi uit te schrijven, wanneer deze uitgebreid is, en zij vestigt al hare aandacht op dit werk. Daardoor kent deze artiste wat zij te zeggen heeft, reeds gedeeltelijk van buiten. Zij leest vervolgens tooneel per tooneel, en bedrijf per bedrijf, vijf, zes keeren, 'zeer ge-wetensvol. Zij studeert, alleen gezeten, tijdens de stille avondstonden, nooit luidop, maar met de oogen, en ten hoogste een paar uren per dag. • Bij de uitbeelding eener heldin uit dit of dat bepaald geschiedkundig tijdperk of uitheemsche landstreek, raadpleegt zij vaak, ter wille van de zeer stipt-nauwkeurige weergave, hare technische werken, en ziet. er niet tegen op, desnoods een noodig geoordeeld boekdeel naar de bibliotheek te gaan halen. In die gevallen is dikwerf de kennis opgedaan in de tooneelschool van groot nut ge-weest. . Wat bewegingen en houdingen betreft, die komen van zelf, afwisselend naàr gelang het kos-tuum, dat bij de uitbeelding van de roi past. Niettegenstaande Mevr. Dilis eene bewonde-renswaardige, ernstige natuur bezit, kent zij met elke nieuwe creatie, dit gejaagd angstgevoel, — voortspruitend uit de te sterk gespannen zenu-wen. Heel den dag der eerste opvoering is zij zoo zeer geschokt, dat zij er als ziek van is, maar niet zoo gauw is zij op het tooneel verschenen of die nare bevanging verdwijnt, en zij wordt weer even bedaard als op gewone avonden. Zij slijt een eenig voorbeeldig leven van ononderbroken werken. Aanstellerigheid en vertoon waren haar steeds vreemd. — Ik leef zoo normaal-eenvoudig mogelijk.Wel is het mij gebeurd te zeggen, dat, indien ik mijn leven moest herbeginnen, ik wellicht meer met het publiek buiten den schouwburg om, zou in aanraking komen, dat ik mij zoozeer niet meer zou âfzonderen. Steeds heeft mijn echtgenoot me daarop geantwoord: «Zou u dit wel mogelijk we-zén?... en wanneer ik er goed over nadenk, ge-loof ik dat hij gelijk heeft. •— Kunt u mij niet eenige belangwekkede be-oordeelingen laten inzien die over u verschenen? — Hoe graag ik ook aan uw verlangen zou vol-doen, 't is onmogelijk. Wat over mij g-eschreven werd heb ik gelezen, maar nooit bewaard. Ik her-inner mij een zeer intéressante bijdrage van M. Rossing, opgenomen in «Het Nieuws van den Dag» in Noord-Nederland. Evenmin bezit ik ze, als al het overige, zoo ook is het met mijne fotos. Zie de kamer rond. Van al mijne collegas zult u lichtteekeningen aantreffen, van me zelve geene enkele... Ja, openhartig, ik vind het verschrikke-lijk naar een fotôgraaf te moeten gaan. Zoo zaten we zeer lang reeds g'ezellig aan het praten. Snel was de tijd voorbijgegaan, en lang-zamerhand viel het duisterend avondgrauw in. 't Werd tijd om afscheid te nemen. — Het zou mij waarlijk blij maken, vertrouw-de Mevr. Dilis mij toe, indien u woudt doen uit-komen hoe aangenaam het werken mij was op den Kon. Nederlandschen schouwburg tijdens de twee verloopen benarde oorlogsjaien. 't Is de schoonste periode uit mijn kunstenaarsleven. 't Is een eenig zalige droom, ja, om nooit het tooneel te verlaten!... Men was maar éen bezieling, en de beste verstandhouding heerschte onder allen...— Waarom zou men dien toestand van nu, on-derbrak ik, niet kunnen bestendigen ? Waarom zou men in onze stad niet kunnen tôt stand bren-gen hetgene in de «Comédie Française» sedert zoo lang gedaan wordt? — 't Is zoo heerlijk, dat het een ideaal schijnt, en dus bedriegelijk is! Vol eerbied en bewondering voor de machtige kunstenares, nam ik afscheid van deze beminne-lijke vrouw, die ons reeds zooveel schoons te genieten gaf en nog geven zal.... JAN DE SCHUYTER. Plaatsgebrek belette ons verleden week de on-derstaande bijdrage te plaatsen.Onze lezers zullen ons willen verontschuldigen de sappige, Antwerp-sche tooneelbrok van heer Karel Goedemé niet eer meegedeeld te hebben. T>e dood van Prins Napoléon in het land der Zoeloes SCHRÏKWEKKEND DRAMA IN DRIE BEDRIJVEN. EERSTE BEDRIJF. Het tooneel verbeeldt een salon op 't eerste verdiep, tijdelijk bewoond door de gewezen keize-rin Eugenie. Eén tafel, vier stoelen, een kapotten zetel en de onmisbare hanghorlogie. EERSTE TOONEEL. DE MEID VAN DE KEIZERIN. Wat weer! wat weer!! 't Is om geenen hond door te jagen, Iaat staan de meid van een keize-rin. Mijn madam wordt van dag tôt dag al erger. Vroeger moest ik ook de markt doen, maar sedert ik eens vergeten ben selder te koopen voor heur soepeken, doet ze nu de boodschappen maar lie-ver zelf. Ik geloof dat ze suf aan 't worden is, want sedçrt ze haren man zijnen kassaart hebben gegeven is er met haar niets meer aan te vangen. — (Er wordt geklopt.) — Binnen!!... (Vier heeren komen statig binnen. De regen moet opgehouden hebben, want aile vier zijn zoo droog als poeder en geen van allen heeft een re-genscherm.)TWEEDE TOONEEL. EERSTE HEER. Meiske, is dat hier dat de keizerin Eugenie woont ? DE MEID. Ja, Mijnheer, om u te dienen. Kan ik de kom-missie niet aannemen, want ze kan nogal lang wegblijven ? TWEEDE HEER. Neen, maske, wij doen ons kommissie zelver en dan steekt er niemand zijnen neus in. DE MEID. Ja, maar... DERDE HEER. Geenen ja maar! Gij weet misschien niet wie ge hier voorhanden hebt, anders zoudt ge zoo niet ja, maar... VIERDE HEER. Stil, Francies, bedaar u. Onze zending is te ern-stig dan dat we ons zouden storen in de belache-lijkheden eener meid. DE MEID. (Terzijde.) Wat voor vier klaveren boeren zien me er dat uit. ■ ■ Ik ben benieuwd als madam thuis komt, wat ze haar zullen te vertellen hebben. DERDE TOONEEL. (Een der heeren doet het venster, op het ach-terplan uitkomende, open, waar de keizerin juist voor staat om haren entrée af te wachten. — Men hoort ze zeggen: «Waarom is dat noodig van die venster open te doen».) (De keizerin op. Is gekleed met eenen kapman-tel en heeft een platte muts op. Zij draagt eenen korf met groenten in.) DE KEIZERIN. Wel, wel! Wie dat we hier hebben! Dag Thiers-ke, Julleke Favre, Malpertier en Dumolin... Hoe gaat het, en wie heeft u gezegd dat ik hier bo-ven woonde? EERSTE HEER. Mevrouw, die zoekt die vindt. Doch, vooraleer over te gaan tôt de zending waarmede men ons gelast heeft, neem ik de vrijheid U te vragen of het niet vernederend is zelf uw markt te doen. DE KEIZERIN. Volstrekt niet. Men mag geen meid meer be-trouwen en sedert de dood van mijn Napoléon, moet ik zien stillekens rond te komen. DE VIER HEEREN. Allo, allo! Zoo nauw steekt het toch nog niet zeker ? DE KEIZERIN. Elk voelt zijn zweeren het best en als ge op een eerste woont, ja, ja, de steenen vragen gelct. Maar, van wat anders gesproken, wat verschaft mij de eer van uw bezoek ? TWEEDE HEER. Wel, keizerin, mag ik u vragen waar de jonge prins zich op het oogenblik bevindt ? DE KEIZERIN. Die zit op het duivenkot. Hij zat gisteren zonder één boon en 'k heb de meid om vijf liters peerdenboonen gezonden-Deze beestjes kunnen toch ook niet sterven van honger. DERDE HEER. Dat is zoo... Maar, zou hij geen goesting hebben, om U voor eenigen tijd te verlaten. Er is voor hem een «sjans» te doen. John Bull is In oorlog tegen de Zoeloes, en uw zoon, prins Na poléon, zou ginder wijd, voor den Engelschman, de kastanjes uit het vuur kunnen halen. ALLE VIER DE HEEREN. Goed gezegd, Julleken!... Het zou mij te verre leiden moest ik al de ta-fereelen, die afgespeeld werden, naar waarheid beschrijven. Het weze voljloende aan te halen dat de keizerin overvloedig weende bij de gedachte haar eenig kind te moeten afstaan, dat zij de vier heeren te vergeefs verzocht een telloor soep mede te eten en na hun weigering-, bij hen aandrong, dan toch eens mosselen te komen eten, waarop het gordijn valt. TWEEDE BEDRIJF. Het vertrek van prins Napoléon. Afscheid zij-ner moeder,de gewezen ministers van zijn vader en vier duivemelkers, aan de statie te Parijs. De vrienden-duivemelkers smeeken den prins niet te vergeten te schrijven of er ginder ook dui-venmaatschappijen bestaan en of er ook «ge-pould» wordt, enz. enz. Het afscheid tusschen moeder en zoon is hart-roerend. Keizerin Eugenie geeft haar zoon nog zes appelen mee, bij geval hij onderweg dorst mocht krijgen. De trein stoomt weg naar het land der Zoeloes. DERDE BEDRIJF. IN HET LAND DER ZOELOES. Een onmeetbare vlakte. Zandwoestijn. Rotsen, enz. Op den achtergrond hangt een doek waar een visscherssloep is op geschilderd en eenige meeuwen. In 't verschiet een halven walvisch. Een gansch leger der Zoeloes met Cetiwayo, het opperhoofd. Hij is omringd door gansch zijn hof, waarbij de gewezen keizerin ook de roi van onder-opper-hoofd vervult. Er wordt besloten tôt den ondergang van het Engelsche leger. De gardechampetter van Zoeloeland brengt aan 1 't opperhoofd de droeve tijding, dat zijn dochter liefde heeft opgevat, tijdens de foor, welke daar heeft plaats gehad, voor een Franschen snaalc, welke in zijne liefdesverklaring niets anders vraagt, dan een koppel jonge duiven om uit te kweeken. Gansch het leger roept in koor : — Hij moet sterven!!..- Eenige kanonschoten, veroorzaakt door een ijzeren plaat, verkondigen het begin van den slag. Het Engelsch leger, bestaande uit Prins Napoléon en vier figuranten, gekleed in uniformen van piotten van 't 8e linie, komen op. Algemeene aan-val. Engelsche en Zoeloesche soldaten vallen dood als musschen. Ook prins Napoléon sterft zonder vaarwel te kunnen zeggen aan zijn liefje. Cettiwayo met zijn Zoeloes zingen «De Vlaam-sche Leeuw». Aan het refrein: «Zoolang de Vla-ming leeft!» springt prins Napoléon recht en zingt het hardst van allen: Zoolang de Leeuw kan klauwen Zoolang hij tanden heeft!... Antwerpen, 24 April 1917. KAREL GOEDEME. Tooneelprijskamp uitgeschreven door Gust Janssens, onder patronaat van het weekblad "Het Tooneel,, De keurraad is volgender wijze sa-mengesteld : M.M. Lode Baekelmans, Letterkundige Louis Bertrijn, bestuurder van den Koninkl. Ned. Sciiouwb. Gust Janssens, Stadsdrukker- Uitgever. Z> Maurits Sabbe, letterkundige. Nie. Van Ooyen, hoofdredacteur van "Het Tooneel,, N.S. 1) De mededingers mogen hun werken van heden af inzenden.Er moet dus niet gewacht worden tôt 15 Augustus. Hoe eer de inzendingen toekomen, hoe liever; de taak van de jury zal er door verlicht worden. 2) Wij hebben de beste hoop dat de be-kroonde werken zullen opgevoerd worden, tijdens het toekomende seizoen, op onzen Koninklijken Nederlandschen Schouwburg• Drie Prozaboeken. ItUST ujs lai ijjn : «Jien groote Uwaasheid». PROSPER ARENTS : «In een klein Stadje». FELIX TIMMERMANS : «Pallieter». Drie prozawerken van zeer uiteenloopenden aard en zeer verseheiden waarde, werden ons ter bespreking toegezonden. Gustaaf De Lattin is beter gekend als tooneel-schrijver dan als romancier. Toch schreef deze Antwerpenaar wel enkele schetsen uit het leven zijner vaderstad, o.m. «De Bruid van den Vis-scher» (1889) en «Toon Krul». Thans gaf de fir-ma Gust Janssens een klein, bescheiden boeksken uit, dat als titel draagt «Een groote Dwaasheid». Het is een vorhaal uit Antwerpen in den tijd der diligenties, een ouderwetsch boeksken dat nog door menig Sinjoor zal gewaardeerd worden. De rijke Jan Bommers, die met zijn knecht en zijn meid in de Reyndersstraat woont, leert in de diligentie van Hoogstraeten naar Antwerpen een onbenullig meisken kennen. De familie der maagd, vader en tante, palmen den verliefden vrijgezel-op-leeftijd in en helpen de centjes van den rente-nier aan 't rollen te brengen. De knecht, die meer gezond verstand bezit dan zijn meester,spant sa-men met den notaris en de familie wordt afge-scheept. Madame Bommers, die van onschuldigc maagd nu een vrouw geworden is die haar eigen belangen zeer hoog stelt, neemt zonder aarzeling afscheid van haar Iieve verwanten en blijkt hier-door de raseigenschappen van nuchterheid en heb-zucht te hebben geërfd. Is het wel' «Een groote Dwaasheid» Eenvoudig als een verhaal van Conscience biedt «Een groote Dwaasheid» aardige staaltjes van Antwerpsche dialoog, wat G. De Lattin wel bij-zonderlijk schijnt meester te zijn. Minder kunnen wij zijn niet altijd gelukkigen humor waardeeren noch zijn gebrek aan objectie-ve voorstelling vergoelijken. De schrijver schudt te veel zijn meeningen uit, vraagt oorlof, rede-neert en verkoopt grappen, wat hinderlijk is in een verhaal met sobere, juiste verhoudingen. Maar het kleine boekje is zoo goedgeefsch door den schrijver tôt uitspanning aan het publiek geschonken, dat de literaire bezwaren op het achterplan dienen gesteld te worden. Er leeft in «Een groote Dwaasheid» iets van Antwerpen ten tijde onzer grootouders. Een jong schrijver, Prosper Arents, werd in den zomer van 1914 bekend door een boek... dat niet in den handel kwam. «Het batisten zakdoek-je» dat zooveel aanstoot gaf, was niet het eerste werk van den jongen auteur. «In een Klein Stadje», episodes uit het Normalistenleven, oor-spronkelijk als tooneelwerk bedoeld, dat nu pas verschijnt, was zijn eerste werk en dient hem nu ook als inleiding bij het lezend publiek. Lode Monteyne, die een lovend woord schreef om de uitgave aan te bevelen, getuigt: «In hoofd-zaak is dit boek de historié eener jonge, korte passie. Maar het eigenaardig'e en ik zou haast zeggen, de locale kleur van deze liefde is niet zoozeer dat zij in 't kleine stadje juicht en treurt maar ligt in 't voorval dat Romeo de Normalis-tenpet draagt en hij ons binnenleidt in een ge-heel bijzonder midden. Dus een studentenidylle ? Ja! Iets als...? Vergelijk liever niet en "denk nog minder aan een of ander plagiaat. Want dit werk, dat het midden tusschen roman en too-neelweik houdt en eigenlijk het genre vertoont van wat wel eens 'n «roman dialogué» gedoopt werd, groeide uit des schrijvers eigen leven en ontroerde herinnering op... «In een klein Stadje» is een boek dat veel en aan velen te genieten geeft.» Bij het welkom heeten van den nieuwen let-terbeoefenaar meenen wij hem te moeten waar-schuwen voor het uitspinnen en zinnenknutselen. Wanneer de schrijver zal geleerd hebben zich te beperken, zullen wij ook wellicht moeten getui-gen dat zijn werk «veel en aan velen te genieten geeft». En met dat werk zal Arents ons zeker wel eens komen verrassen. Félix Timmeirrans heet de derde schrijver en zijn boek draagt den leutigen naam van zijn held: «Pallieter». Timmermans schreef vroeger een bundel «Sche-meringen van den Dood», samen met Thiry «Ba-gijnhofsprookjes» en gaf nu dat wonderbâar le-venslustig boek dât elken lezer bekoort. «Pallieter» was in Holland een succès en door de kritiek en door den verkoop. Pas enkele maan-den nadien verschijnt nu een tweede uitgave die ens, Vlamingcn, eindclijk in de gelegenheid stelt, ook van dit opwekkend boek te genieten. Hier past nu enkel lof. In dit bondig overzicht kunnen wij niet herhalen wat wij elders uitvoerig schreven om onze bewondering te uiten. De Vlaamsche literatuur is een schoon boek rij-ker geworden en daarop vestigen wij de aandacht van onze lezers. Pallieter is familie van den snaakschen Uilen-spiegel, hij symboliseert de godzalige levensblij-heid die ons zoo treft omdat het onze bloedeigen natuur is. Dit romantisch verhaal is de verheerlijking van het leven in al zijn schoone uitingen: Augusta de Wit noemt het «de hymne van de kinderlijke bewondering', eerbied en liefde, die nog niet vertroe-beld zijn door de smartelijke ervaring van het eindeloos wereldlijden». Pallieter is hierdoor een-zijdig, meent zij, maar juist in die eenzijdigheid ligt zijn groote kracht. Pallieter is een vereerder van eten en drinken, e_en Vlaamsch volksman die een hekel heeft aan rijken en edellieden. Hij is ook een genietend dich-ter,die ontroerd wordt door de avondschemering en die ijdele zeepbellen opblaast en nastaart. De levende, groeiende en weelderige Natuur wordt tôt in zijn minste uitingen gewaardeerd en geno-ten door den gezonden Pallieter. Honderden jaren zit de Vlaming de «poëzie van het zinlijke» zooals Busken Huet het noemt in het bloed,de bewondering voor het vruchtbare,steeds levenscheppende natuurleven is hem zoo eigen dat een boek als «Pallieter» den Vlaming moet tref-fen.En waar plaatsruimte belet te ontleden, halen wij de woorden van Herman Middendorp aan: «Dit boek is de vreugde zelf. De vreugde breekt uit deze bladzijden naar buiten, zooals de lente het leven uit de zwaargezwollen knoppen barst... Een boek zoo over-vol vroolijkheid mag een ge-beurtenis worden genoemd in de litteratuur van dezen tijd. Bladzijde aan bladzijde is dit werk een boek van pure schoonheid. En aldoor voelen wij weer in Pallieter de zuivere vreugde omdat hij leeft». Dit boek komt op het oogenblik dat levensblij-heid wekken bij de menschen de edelste daad mag heeten en de schoonste troost. Pallieter is een symbool van den onsterfelijken levenslust, van de veerkracht van ons volk, dat nooit door tegenspoed kan gefnuikt worden waar het inwendig zoo rijk is aan optimisme en na-tuurliefde. Een «Pallieter» verwelkomen in onze letterkunde is een genot dat men niet dagelijks smaken mag. L. B. Viering T>r P H. Cuypers Deze groote Nederlandsche bouwkunstenaar is 90 jaar geworden. In al de dagbladen en tijd-schriften is hij hoog geroemd geworden voor zijne schoone kunstprestaties sedert zijn heel lange «carrière». In 1848 won hij aan de Antwerpsche Academie den prijs van uitmuntendheid. Onze academie had toen en nog vele jaren later een beroemdheid die zij thans, helaas! heelemaal kwijt is. — Cuypers werd te Roermond — zijn geboortestad — als-dan feestelijk ingehaald met vlaggen, muziek, ee-rewijn en opgewonden redevoeringen. Nu is de geniale ouderling vorstelijk onthaald in zijne geboortestad, welke hem het eereburger-schap heeft aangeboden, benevens zijn geschilderd portret. In de School van Nuttige en Beeldende Kunsten sprak de Burgemeester een tweede redevoering uit, waarna het borstbeeld van den feesteling — gemaakt door zijn kleinzoon, Michel Cuypers, — onthuld werd.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software. 

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software. 

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software. 

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
This item is a publication of the title Het tooneel belonging to the category Culturele bladen, published in Antwerpen from 1915 to 1940.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Add to collection

Location

Subjects

Periods