Carolus: het weekblad van de Vlamingen

344085 0
close

Pourquoi voulez-vous rapporter cet article?

Remarques

Envoyer
s.n. 1914, 09 Avril. Carolus: het weekblad van de Vlamingen. Accès à 23 octobre 2019, à https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/fr/pid/zk55d8qf4z/
Afficher le texte

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

CAROLUS ^"■^HET WEEKBLAD VAN DE VLAMINGEN WM—w—H>B—w—BBMWHWTBBWWiMMWM—BHWMBJMMMBBmwmwanrMingapwMWWBgaMaMi voor Belg'ièîlJS PER JMR ' fr 2 50 Jaarganfî. N* *5 — Donderdag 9 April 1914 PRIJS PER NUMMER : 5 Centiemen voor Nederland .... f 2.— Bureelen van het Beheer : — Bureelen van den Opstelraad : Aile brieven en mededeelingen dienen voor andere landen . . . fr. 5.— 8, OFFERANDESTRAAT, 8 — ANTWERPEN — TELEFOON 2178 ten laatste Dinsdagavond ingezonden. Kunst van Heden Wat heeft de vereeniging, die jaarlijks eene tentoonstel-ling in de stadsfeestzaal inricht, wel met haren veelbelo-venden titel willen bedoelen ?, Was het haar doel al het-gene dat in het jongste jaar voortgebracht werd, van af het werk van den heer Van der Ouderaa tôt dat der futuris-ten, ten toon te stellen, of wilde zij alleen het nieuwe dat gedurende dat jaar geschilderd werd, op den voorrang brengen? De eerste veronderstelling houdt natuurlijk geen steek, daar noch het seniele werk van den heer Van der Ouderaa, noch het poseurswerk van de futuristen ooit een plaatsje vonden in de "Kunst van Heden". De tweede veronderstelling kan evenmin blijven bestaan, daar in de laatste jaren geene nieuwe richtingtot stand kwam, tenzij de reeds voornoemde poseurskunst der Futuristen en der Kubisten, en er dus niets nieuws, niets hedendaags aan het licht te brengen valt, zoo wij eene uitzondering maken voor het werk van Rik Wouters. "Kunst van Heden" schijnt mij een brutale leugen in deze periode van volledig gémis aan eenige oprechte richting of eenige oprechte individualiteit. Alleen zou "Kunst van Heden" haren naam verdienen, wanneer zij den moed had het werk der Futuristen (per-soonlijk ben ik er niet voor) aan het licht te brengen. Maar neen, Kunst van Heden vleit zich in eene goedzak-kige middelmatigheid en laat ons het werk van Van Qogh en Jacob Smits bewonderen, werk dat dagteekent van gisteren, van eergisteren, van Mathusalem's tijd als ge wilt, maar wis en zeker, niet van heden. Van heden bestaat er niets oorspronkelijks, tenzij het werk van den verist Rik Wouters. Nu ons dit van het hart is, kunnen wij met gerust ge-weten onze bewondering uitzeggen voor het werk van die twee kunstenaars van gisteren : Vincent Van Gogh en Jacob Smits. Wat hebben wij deze maand al niet over Van Qogh, in aile mogelijke en onmogelijke gazetten en tijdschriften gelezen ? Ailes is Van Qogh ; het is het werk van Van Qogh langs hier, het leven van Van Gogh langs daar — le raté de genie, zegt gene pennewip, die onbeholpen klad-der, zegt een andere, en een derde komt, een snob of een artiest, of beter nog een artiest-snob, en die zegt ; "Wat vertellen jullie ? Jullie begrijpt geen iota van heel Van Gogh ; dat is sterk werk". Zoo hebben wij gelezen en ge-gehoord over Van Qogh. Zonder den gulden middenweg te willen, durven wij toch zeggen, dat het werk van Van Qogh zeker geweldig is, doch ook van eenen anderen kant door de tingeltangel-reklaam wel wat overschat. En dat doet ons spijt voor den grooten kurçstenaar ; maar het staat nu eenmaal zoo geschreven, dat kunstrevolutie de aandacht van aile leegloopende en centenhebbende snobsen moet trekken. Wanneer wij de Van Qogh-zaal binnenkomen, valt ons dadelijk een doek op, "Bloeiende Amandeltak" geheeten. Eene ruwe tak schiet ten allen kant bot ; het is als een feest van lente op een teer-blauwen hemel. Dit doek is zeker van het meest fijne, het meest subtielc, het meest rijke (hoe zelden is Van Gogh dit ailes) dat wij ooit van modernen te zien kregen. Alleen zouden wij hier een gémis aan perspektief kunnen bestatigen ; mijns dunkens is de tak niet genoeg afgeteekend tegen de blauwe lucht, het staat ailes gelijk op een zelfde plan ; had Van Gogh dit kunnen vermijden, het doek "Bloeiende Amandeltak" ware een der mooiste doeken van zijne periode geworden. Diep heeft ons het werk "Oude Man" getroffen ; ik zou wel zeggen, dat het is als een epos van lijden, indien dit woord geene al te klassieke beteekenis had. Het is zulk een wreed-sterk werk, dat ik soms met den "ouden man" zou willen meehuilen, eene mij onbekende smart. Ook nog de reeks zelfportretten, talrijke rake landschappen zouden eene lange bespreking kunnen uitlokken ; maar van eenen anderen kant hangen er in die tentoonstelling eenige schilderijen die gelukkiglijk "Vincent" geteekend zijn, of ten minste voor een Vincent doorgaan ; zoo bij-voorbeeld die misselijke bloemen, zoo niet zou niemand zichzelf de moeite getroosten er een requiem over te zin-gen. Van Gogh is een groot menschelijk kunstenaar, maar,nog eens,het spijt ons hem zôo te hooren overschat-ten.Wij beklagen nog eens te meer al het geschrijf over Van Qogh in onze dagbladen, daar aldus de aandacht van het publiek alleen op hem gevestigd werd, en van het werk van den machtigen Jacob Smits heelemaal geen notitie gehouden werd. Nochtans, nu hebben wij eens de kans gehad het oude werk, het klassieke werk, van dezen meester te bewonderen, spijtig genoeg naast zooveel prulwerk, als ; "De Koeien", "De man met den ketel" en zoovele andere werken der laatste periode. Door wer-ken als "Oude mans portret", "Klein Kindje", " De va-der van den veroordeelde" en een paar boerenjongens-portretten, is Jacob Smits de sterkste, zoo niet de eenige Vlaamsche klassieker. Het is heel mooi werk. Toch schijnt het wel, dat Smits in die mooiheid geene berusting gevonden heeft, want naast dat klassieke schoone, vinden we eene menigte schilderijen uit een tweede periode, schilderijen van dewelke er sommige zeer gelukt mogen heeten, maar anderen die vreeseiijk deerniswekkend zijn. Zoô zijn "Kristus aan het Kruis". Hoe arm van opvatting, hoe ellendig van teekening, hoe houterig die vervloekte paarden met pooten als uit esch gesneden, met billen als van ik weet niet welken voor-historischen mammouth ; gendarmen, die uit een kinder-speeldoosje gaan loopen zijn, en daarbij een boel men-schen, die niet schijnen te weten waarom zij rond dien Kristus staan, juist gelijk die gendarmen waarschijnlijk al hun fut verloren hebben bij het africhten van zoo'n monsterpaarden. Evenzoo mislukt is "Drinkende man", Jacob Smits' "Symbool der Kempen" kan me maar niet van Uhde's "Discipelen bij Emmaiis" doen vergeten. In-tegendeel,een tweede periode schilderij die onovertrefbaar schoon is, door de frischheid en de blijde kleuren, is "Meisjes in de Lente". Het is zoo eenvoudig, zoo gewoon dat portretje, dat zwarte meisje in het helgroene licht, en toch heeft het mij zoo sterk aangegrepen. Het is Licht, het is Lente, het is dat ailes in een losbandige blijheid van kleur. Nu kom ik eindelijk aan Rik Wouters,die een heel specia-len toon in deze tentoonstelling gebracht heeft. Er is iets in zijn werk : zijne rake uitbeelding, zijne juiste en nieuwe belichting die mij dwingen hem een verist te noemen, omdat hij zoowel de kleur en de lijn der dingen, zonder eenig omhaal,ik ging haast schrijven zonder eenige phrase, weergeeft. Zoo is er bijvoorbeeld tusschen zijne menig-vuldige meisjesportretten een dat brutaal treft door zijne ware nieuwheid, door zijne felle, juist en goed ontlede belichting en door zijne gebeeldhouwde lijn, want in al het schilderwerk van Wouters, ligt de sterke struktuur van een geweldigen beeldhouwer. Rik Wouters heeft, veel beter dan vroeger de luministen, het zonnespel be-grepen ; Rik Wouters' belichting is raker, en treft onein-dig veel meer door zijne ontlede werkelijkheid, door zijn verisme. Ik zou nog veel over Rik Wouters als beeldhouwer en als schilder kunnen zeggen, doch het kan samengevat worden in dit ééne ; Wouters is de schilder der werkelijkheid, niet zooals deze werkelijkheid zich dadelijk voor-doet, maar gelijk ze wordt bij een nader toekijken en bij eene heel sterke ontleding. Rik Wouters is een verist, dat is de beste benaming die ik hem geven kan. Buiten de drie reeds genoemde kunstenaars, treffen we nog heel goed werk aan van Heymans, uit zijne twee perioden en ook veel stemmige doeken van Stobbaerts. Ook Hens, niettegenstaande hlj teert op een eens aangeworven en steeds eentonig blijvende manier, heeft geweldig werk van kleur-harmonie. Van Mieghem geeft ons steeds het reeds lang gekende. Baseleer kennen we ook al heel lang, helaasl De rest, de heeren Charlet, Jefferys, Chahay, Huygelen, Vaes en de juffrouw Ronner (zou zij geen ander tijdverdrijf kunnen vinden ?) kunnen we in een zak steken, hetgeen misschien moeilijk zou gaan— krijgen we wel de toelating van Kunst van Heden ? — en naar het Scheld of het Schijn, liefst naar het Schijn te dragen, tenzij het stadsbestuur voor de te groote vuiligheid maat-regelen zou nemen. D \7 * Kl rio-T-. T,r,K, MED AU ON (Verzen uit het album van een verloren dichterken.) Een orgeldeuntje, een stoopke bier, een potlood en een vel papier, en wat te drinken, een pijpke tabak en bezij twee pronte deerns, die voor mij niets doen dan schinken... Een orgeldeuntje, een stoopke bier, en 't hert gelijk 'ne spaander vier van mate en minne... En zindrend als een spinnewiel de blijdschap in uw dichtersziel : zôo te verzinnen ! FRITZ FRANCKEN. Als twee, die werkelijk van elkander houden, eens met elkanderkibbelen, moeten zij hoogst voorzichtig zijn, elkaar in drift geen grievend of beleedigend woord toe-voegen. Want al wordt het later ook herroepen, als in drift gesproken, daar is toch een angel in het hart gedron-gen, die er een litteeken kan achterlaten. Uit vroeger jaren... Is 't begooeheling of werkelijkheid ? Zien de oogen der jeugd gansch anders, dan die van rijperen leeftijd ? 1k weet het niet — maar 't komt me voor, dat ons Stadhuis er vroeger veel eigenaardiger uitzag, dan thans. Zie ! hoe de Stadhuisgevel in den blakeren-den zonneschijn gloeit en glimmert, terwijl 't goud der gevelbeelden stralen schiet. 't Is alsoî het dwarrelend stof van op de Groote Markt opslaat als uit een ziedenden ketel en opwaarts danst naar den top van den bouw, naar den gulden adelaar, die zich daar, met vuur in den snavel, tôt een dreigende vlucht voorbereidt. In 't midden van de Markt, éene koelende vlek : de schaxiuwvlakte van een natuurwonder, den majestatischen lindenboom,knoestig en dik, zinderend door al zijn malsche bladeren. We hebben er gisteren, met de commissie van een huweiijks-jubilé, een rondedans om gespron-gen. En daags te voren — 't was een marktdag — stond er Enault, de wereldvermaarde tan-dentrekker, op zijn kristallen gala-koets, waar bovenop rood-gouden muzikanten de vroolijkste deuntjes speelden, terwijl de kwakzalver de menschen verneukte... 'k Herinner me zelfs, dat moeder hem ook een îleschken had afgekocht. De brave vrouw hadde een duit in twee gebeten, liever dan ze nutteloos uit te geven, maar een fleschken van dien Franschman moest ze toch hebben. Ze wist eigenlijk niet, waartoe het dienen kon, maar ge moest het later eens noodig hebben, — vermits de menschen harer omgeving haar had-den verdietscht, dat men het voor ailes kon ge-bruiken... En heel zorgvuldig borg zij haren koop tusschen eene partij saai en aan te breien kousen. Toen ze 't kostbaar îleschken ('t had een frank gekost !) eens voor 'k weet niet wat wilde benuttigen, zaten er, eilaas ! allemaal maaikens in ! Voor een irank maaikens... Juist tegen den rechterhoek van 't Stadhuis staat een schildwachthuizeken, van waaruit de schildwacht ons hunkerend in 't oog houdt, Mengelwerk van "Carolus" 15 MIJN WONNIG LAND door OSCAR SIX Maar de waanzinnige beestestormde vooruit, beurelend en brieschend, met laaiende, vlammende oogen. Hij snoof, bukte den nek, strekte de voorste pooten uit en stormde met al het geweld van zijn reuzenlijf in den hais, in den kop, in de horens. En 't was gebeurd, vooraleer hij het beseffen kon. Renilde was weg, uit zijn oogen... Al wat hij zag was rood en purper, vlamme en vuur; al wat hij hoorde was vervaarlijk gebrul en gekreun in schrikkelijke doening. De stier had het meisje omverre ge-worpen, op de horens gedragen, wijd weg gezwaaid, en Wartje was huilend en kreunend vooruit gestormd. Hij droei zijn jok verveerlijk, drie vier maal zwaaiend boven zijn hoofd, en hij sloeg het in scherven op den kop van het dier, dat weere vooruit kwam en onder den slag, met schrikkelijk gebeurel, door de voorste knieen zonk en met al het geweld van zijn razend lijf, als een roerlooze massa neder-stuikte. • Maar hij had Wartje ook geraakt, en de jongen lag half in bezwijming voor den stier, en zijn schoon rood bloed beperelde de weide. Hij lag met zijn ijlstarende oogen te kijken als in een droom. Hij hoorde roepen, snikken, schreeuwen. Hij zag vage schimmen bewegen, iets op tillen, weg dragen en zachte vooruit gaan in den avond die hem al donkerder scheen. Hij hoorde Verbare om zijn arm kind roepen, en maar altijd 't zelfde zeggen, altijd 't zelfde klagen en her-halen : — God, och God, och God den Heere ! Hij zag den balg van den stier nog, in ademhaling, zwaar omhoog en om-leege gaan, hij zag de gebroken oogen van 't beest dat kreunde, en 't was of hij de schimme van" de dood ontwaar-de, die met heur zeisen geruischloos naast hem slierde, als Seraphien in zijn mantel voorbij kwam, met de makke krampachtig in de hand ge-snoerd.En toen werd het donker... Zijn oogen gingen toe, hij hoorde nog loopen en hijgen... dan nog de wind die door de boomen vaarde, maar wiens frazelende streeling hij niet meer ge-waar en werd, en toen zonk hij weg... en slierde zacht in deoneindigedonkere leegte neere. VIII Renilde was dood. Als de klokke luidde, werd hij wakker, rechtte zich op zijne- sponde, niet voelend hoe zijn heele lijf, gemarteld door de pijn, van hevige koorts bewoog, en met zijn groote verwilderde oogen zag hij naar den stoet. De dienaars in 't wit, met het gou-den kruis vooraan, de koster met z'n blank gewaad, waaruit de zwarte mou-wen staken. De priester in witte ka-zuifel met lichte franjes geboord, den eerweerdigen paster die vol plichtsge-voel z'n misterieuze woorden zegde. En dan de kist, de lange smalle kist, waarin ze iets mededroegen, iets henen voerden onder het klagend klokgeluid, in 't waaien, in het dartele gefladder van de maagdelijke pelder en de witte priesterkleeren. Wat wilde dat getamp en gelui, wat moesten die klokketonen zoo klagend beduiden ? 't En was nu die gesmoorde klank van de klok uit den vijver niet... 't was een stemme veel luider, veel snerper en zwaarder! Het galmde en 't bonsde, of ze te luiden hing in zijn eigen hoofd. Zijn hersens gloeiden, heel zijn lichaam was een kole vuur en zijn groote verdwaasde oogen brandden. Toen voelde hij een schrikkelijke pijn in de heup, wankelde en zakte j neer, gevoelloos door den zwaren slaap geveld, die hem geweldig overmande. En hij droomde... een schoonen droom die hem gelukkige dagen liet beleven. 't Was in de lente; de appelboomen bloeiden, het gers was groen en vol van teedere madeliefjes t'allenkant ; de biekens gonsden, de boomen bewogen vol van zonnegoud. Hij ging met Renilde door de weide. Ze loech, en hij kon nu eerst goed heur blauwe oogjes zien. Er buitelde een vlinder door de lucht, ze wilde hem in heur handje grijpen, maar hij vloog omhoog, heel hooge door het ruim, en scheen de sfeeren te bereiken waar de leeuwerik-ken in het helle licht klawierend, hunne blijde deuntjes floten, Of 't was bij 't zachte schijnsel van de mane, de hooioppers wierpen groote schaduwvlekken op het groen, de wind frazelde in de populieren, en ze dool-den getweeën door den beemd. 't Was koel en 't scheen hem of ze zich heel traagjes in een droom bewogen. Hij hield heur handje in zijn hand, en plotselings stond ze stil en keek hem diepe in de oogen. Ze loech den zoeten vredelach van 't leven ; heur wezen, door het manelicht georeoold, scheen als de schimme van een engel, zoo onstoffelijk in 't zilverige licht te buigen naar zijn wezen. Of 't was met Brutus, wadend door

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.
Cet article est une édition du titre Carolus: het weekblad van de Vlamingen appartenant à la catégorie Vlaamsgezinde pers, parue à Antwerpen du 1911 au 1914.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Ajouter à la collection

Emplacement

Périodes