Het nieuws van de week: kristen volksblad

588 0
close

Pourquoi voulez-vous rapporter cet article?

Remarques

Envoyer
s.n. 1917, 20 Mai. Het nieuws van de week: kristen volksblad. Accès à 29 novembre 2020, à https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/fr/pid/zw18k76177/
Afficher le texte

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Kristen Algemeen en iterkundig YOLKSBLÀII Brieven, pakkeu en ai wat het b!ad betrect, ge-iieve men te sturen, vôôr Dinsdaq avond, aan tïel Nteuws van de Week. NiNOOfscHE Straat,?,ï, Halir. Medewerkers, buiten de redaktie, blijven verantwoordeiijk voor hetgeen zij schrijven. — Ongfeteekende stukken worden niet opjj-ïnoîts er Bestuur t OpsteS : HALLE, 2Ij Nirofsche Straat * AANKONDlfllNttEiN J Kleine aankondigingen, de 3 regels, 1 Frank. Verkùi.-pingen en hande'.sreklamen, prijsen volgent dut»' '» grootle.—Allps in te zendm tegen D, nderdag morgm3. TIJDWIJZER Xondag 2oMei. De zon gaat op te 411. 15 m. en onder te 7 u. 39 m. Zondag in het octaaf van O. H. Hemel-vaart. « Exaudi Domine » c « Verhoor, Heer, mijne stem die U aanroept. Mijn hert heeft U gesproken, en mijne oogen hebben U ge-zocht; altijd Heer zal ik u\v aangezicht zoe-ken, wend van mij uw aangezicht niet af, alléluia, alléluia. 2 't Evangelie is van Christus die zegde tôt zijne Apostelen : « Als de Vertrooster zal ge-komen zijn, dien ik u zenden zal van den Y ader, de Geest van waarhe:d, die van den Vader voortkomt, hij zal getuigenis geven wegens mij, en gijheden zult getuigenis geven, omdat gij van den beginne met mij zijt. Dat heb ik u gezegd, opdat gij niet ver-ergerd én wordet. Ze zullen u doen zonder synagogen zijn; ja, de uur is gekomen dat ze denken zullen God eenen dienst te bewijzen met ulieden om hais te brengen. En dat zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet én kennen, noch mij. Maar die zaken heb ik u gezegd, opdat, wanneer hunne uur zaljgeko-men zijn, gij zoudt indachtig worden dat ik het u gezegd heb. » Vrijdag 25 Mei. H. Gregorius VII, Paus en Belijder, Benediktijn f 1085. Zaterdag 26 Mei. Vigilie van Sinksen.Wij-ding der doopvont. GOEDE GAVEN Geen tijd was meer dan de onze geschikt « J om goede gaven te doen blijken en toe te passen. Op aile gebied kan en moet er thans hulp geboden worden, klein en groot moeten elkender helpen, en nochtans zijn er velen — die over de noodige middelen beschikken om je goede gaven te doen gelden en dit niet doen. _ Op 't eerste zicht zou men zulke lieden van ikzucht of van onmenschlievendheid beschuldigen, maar nader ingezien mag men niet vergeten dat eene goede gave meer ai-hangt van den gemoedstoestand en eene innerlijke menschlievendheid, dan van stof- S1 felijke middelen. Om die reden hebben vele welhebbenden geene goede gaven, omdat zij m geen begrip hebben van de verplichtingen die op hen rusten. Pc Die lieden lijden meer door gebrek aan goede gaven dan anderen die hunne hulp °I moeten missen. Verslaaid aan het geld, leven n"' zij voertdurend in onrust, hartzeer en vrees, w omdat het geld in dezen oogenblik minder ('} waarde heeft en zij er minder kunnen meê woekeren. Onrustige dagen brengen zij door jjJ uit vrees hun geld te verliezen, terwijl zij het anders zoo nuttig zouden kunnen aan-wenden-tot leniging der algemeene Smart. Hadden zij goede gaven, zij zouden in rust leven, en niet treuren om eenig verlies, Eene goede gave veronderstelt eene ziels-kracht, eene deugd die niet aan iedereen is ^ gegeven. Dit is niet alleen toepasselijk in zake van mildheid en menschlievendheid, 1T maar 00k in meer andere gevallen die op M mededeelzaamheid steunen. Een geleerd en S bekwaam man die zijne geleerdheid en be- 11 kwaamheid niet ten beste geeft om mede- ^ menschen te helpen en voor te lichten, is zoo ^ hardvochtig als de rijke, die zijnen over-vloed niet weet aan te wenden tôt nut van 't algemeen, of tôt leniging van eenige smarten in zijne onmiddellijke omgeving. P Maar op dit gebied kan iedereen 00k niet z mild zijn. De mededeelzaamheid en mede- e hulp moeten hier eveneens door bijzondere A gaven ingegeven en aangevuurd worden, en s die gave is weer niet aan iedereen gegeven. Velen zelfs beschikken niet over de noodige v geesLesmiddelen en wilskracht om hunne t geleardheid en bekwaamheid te doen gelden, v zoodat op hen toepasselijk is het spreek- t woord : « het zit er wel in, maar het komt er z niet uit. » h Gemakzucht en loomheid zijn echter twee g gebreken of ondeugden, die velen weerhou- , t den in het uiioefenen van menschlievend- g heid en medehulp. Zij straffen daarmede nog t meer hen zelven dan degenen die hunne \ medehulp moeten missen. Evenals de rijken t wier overvloed hun eerder tôt last en onrust I strekt, lijden zij door eene zekere afgetrok- z kenheid en inismoediging, die erg drukt op t hunnen gemoedstoestand. Zij 00k worden ç , lini [m bt-ITIMT- j ] zekere onrust gewaar, omdat aile tekortko-j be^erige ming aan menschlievendheid en onderlinge Dan na medehulp, een voortdurend bezwaar is, dat delen de hun menig ver wij t toestuurt nopens hun naarhui nietsdoen. Aan d 5 Zij dienen zich te spiegelen in het vlijtig zwijeen en opgeruund leven van han, die al hunne De Ri gaven en al hunne middelen, zoo geestelijke Hjke bel , als stoffolijke, ten dienste stellen der alge- bij hen ' meene zaak. Dit is nu des te gemakkelijker schijner na te volgen, omdat thans in aile landên ge- ' en de bc brek en lijden bestaat. Wie dus niet gaarne o-ehjk et in enge stegen en straatjes afdaalt, kan zijne & 'Een v middelen gebruiken in den deftigen werk- soldatei mansstand en in de kleine burgerij, en zelfs hunne h nog in eene betere lclas. Want daar 00k pen zij 1 heerscht nood, ot althans eenig te-kort om omzichl 1 moed en wilskracht te behouden. naar d< Geen enkele uitvlucht kan thans gelden blikken ; om niet mede te werken tôt opbeuring van p-aat on huisgezinnen, van bedrijven en instellingen; eene ee waaruit eenige welvaaYt komen moet. Wie loeren ; met gaarne aalmoezen geeft, kan immers Fén vo werk of îets anders bezorgen, eene redelijkf te rue a broodwinning, een deftig onderkomen of al ligt de 1 andere noodige en gewenschte hulp. alleen. H. VI. H. 's A\ nu ree op den Eva, de vrouw rust be wonder van Qods scheppins: dronke ' garen — « « Geluk, o bruid, aanstaande moeder En c « Der eeuwen : heil in d'echtestaat ! heel e< « De Hemel zij en blijve uw hoeder, Den « De bruidegom uw toeverlaat ! zou de « De roos en lelie luiken onder ste inf « Uwe voeten schooner op ! O bloem sche le « Der u - - « "v ctii d 11c sclrioonheèn, GIç. lxrta-i i'Ocu. 'V 1, I nen cl. « En vlag voor uwe schoonheid strijken, weer « Nog schooner moet ge nâmaals prijken ». begint Vondel. be^ Uit : « Adam in Ballingschap. » ~ * "" — -• • • -o -j • FLOND JDMJSr OOFLJLOG (Een Oorlogsepisode) Op de grenzen van Rusland. Een van die groote bloote pleinen, zonder eenen aard-lioop, zonder eenen boom, enkel hier en daar met wat spichtig gras begroeid. Aan den zuidkant hebben zich Oostenrijksche troe-pen uitgebreid. Heel naar voor zijn een paar honderd infanteristen, meest Hongaren, tôt op den rand der vlakte voortgedrongen en maken er loopgraven, waarin zij dan blijven wonen. Gevochten wordt erjvoorloopig niet, ofschoon aan den anderen kant van 't plein de Russen gekampeerd h'ggen en zich insge-lijks ingegraven hebben. Maar geen der we-derzijdsche tegenover elkaar opgestelde troependeelen heeft vooralsnog bevel gekre-gen om voorwaarts te trekken, en zoo blijft het rustig tusschen hen. 't Loopt naar den avond, en de spaden vallen de vermoeide soldaten uit de handen. De dorst kwelt hen. 't Zijn taaie laagvlakte-Hongaren, den harden veldarbeid gewend ; maar die schroeiende, brandende dorst ! En wijd en zijd achter hunne liniën geen beekje, geene gracht, Die vlakke gronden van ooste-lijk Rusland zijn bij uitstek arm aan water-aderen. Voor dé rij der pas aangelegde Oostenrijksche loopgraven, ongeveer in 't midden van het groote plein en op gelijken afstand van de beide vijandelijke legerdeelen, ligt een eenzame waterput, met zijn arduinen putkuip, spokerig op de bloote effenheid zich afteekenend. Wellicht had op die plek eene woning, hoeve of landhuis gestaan. Maar de oorlog heeft nu eenmaal de eigen-schap, ailes gelijk te maken met den grond. Opeens zien de dorstige Hongaren van verre twee Russen, die langzaam-voorzich-tig in half kruipende, half gebukte houding van de ovfcrzijde den bornput naderen. Tien, twintig volgen de eersten. Na een vvijl rijzen zij de een na den ander uit hunne gedokene houding op en stappen met tragen stap, als gelaten, verder op hun doelwit af. De solda-; ten van den Keizer hebben aanvankelijk, gelijk de twee eerste daarginder zich ver-toonden, hunne geweren opgeheven ; nu wachten zij verrast, met de hand aan den trekker ; zij hebben begrepen : de Russen hebben dorst, net gelijk zij zelf. En gelijk zij zien, dat hunne vijanden vreedzaam bij den bornput blijven staan, den emtner optrekken çn dan op beurt drinken, telkens met langen iegerigen teug, laten zij de geweren zakken. ■■ )an, naarmate zij gedronken hebben, wan- n< lelen de Russen op hun dood gemak weer j ge îaar hun loopgraven terug. Ei Aan den Oostenrijkschen kant staat men de ■wijgend toe te zien, maar niemand schiet. De Russen kijketi van ginder toe, met ge-ijke belangsteliing, zoo 't schijnt, maar 00k )ij hen grijpt er geen naar 't geweer. Zij xhijnen daar nu allen gedronken te hebben, -;n de bornput ligt weer eenzaam te wachten gelijk eerst. Een vijf minuten vergaan. Nu wagen twee soldaten aan deze zijde, twee Hongaren, op hunne beurt het speî. Steeds zwijgend krui- P' pen zij de loopgraaf uit, en stappen traag, omzichtig, met het geweer schietvaardig, naar den bornput toe. Na weinige oogen-blikken volgen hen de overigen. De emmer gaat omneer, omhoog. Allen drinken met eene gewaarwording van genot. De Russen loeren ailes af,— maar er valt geen schot. Eén voor één keeren de gelaafde soldaten terug vanwaar ze gekomen zijn, en weder d ligt de bornput te midden het verlaten plein n alleen. 8 's Avonds 't zelfde spel. De Russen trekken r nu reeds doodbedaard, zonder achterdocht op den boinput af. De anderen laten hen ge-rust betijen. Gelijk dan de laatste daar gedronken heeft, geeft weer een van de Hon- ^ garen het sein : , — « Komt, mannen, 't is onze beurt ! ». En de Russen zien hen kalmpjes na. Ailes heel eenvoudig, net of !t zoo maar moest. Den morgen daarop dronken ze weer. Dit zou de laatste maal zijn. Juist gelijk de laat- j ste infanterist zijne plaats in de Oostenrijksche loopgraaf heringenomen had, werd hier t 1 — 1 I m» n- nen drogen nunnen mond ai, zeticii îicc gt, weer tegen hunne wang, en het schieten begint, door de Russen van hunnen kant beantwoord. Stormaanval ! blasen na eene wijl de ho-rens. Onder een gehuil van woede, vliegen de vijandelijke afdeelingen met gevelde bajo-net op elkander toe. Juist aan den bornput botsen zij opeen. Eene wijl vlot de strijd daar heen en weer. Van achter de strijdlinie don-dert nu en dan het kanon met zijne zware stem boven het geweervuur uit. Dan vermin-dert dit laatste langzamerhand... 's Anderdaags maakt het legerbericht te wederzijden melding van : « vijandelijken aan val afgeslagen, stellingen gehandhaafd onder verliezen voor den vijand ». " 1 't Is weer avond. Op het plein, vooral m den omtrek van den bornput, liggen dooden en gewonden, Russen en Oostenrijkers of Hongaren, hoppel dooreen. 's Morgens nog hebben zij van 't zelfde water gedronken... Maar de bornput zwijgt, en 00k de dooden zwijgen... Dan komen de ambulanciers, om de zwaar-gewonden weg te dragen. De dooden worden begraven nabjj den bornput, bij het avond-schemerlicht... En als 't middernachtsuur naakt, ligt daar het groote plein eenzaam en verlaten, en midden er in teekent zich de arduinen bornputkuip eendelijk-spokerig tegen de zwijgende omgeving af. In de jeugd doet een enkele vreugde aile smart vergeten, in den ouderdom verbant een smart aile vreugde. ■'s \ . ' Jy V 11CUU1 lets over GUI00 GAZELLE »»£ _ _ __ n (je r x A" u. (vervolg) — Gezelle heeft ailes lief gehad van zijn land en zijn volk. Hij zong van zijn vlaam-sche Land met zijn veie velden, zijn malsche meerseben met grazend vee, zijn velden met goudoogst, de arenzware korenhalmen, de tierende terwe, het vlas, de hoppe, de rogge; de duizenden zware boomen, groen en vol kwetterende veugels ; zijn grond, waarop de zonne licht, de re^en droppelt, de landman zaait, waardoor de beekjes vlseien, de «lieve» Leye en de « varende » Mandel, de vlaamsche grorid waarover de echo sterft der gewijde muziek van de zingende zee. De zanger van den nacht heeft hij vooral liefgehad : Waar zit die heldre zanger, dien ik hooren kan en zelden zien, in 't lqpf geborgen, dees blijden Meidagmorgen ? He'ot ge nooit aan een beekje gestaan met riet bewa^sen, waar de wind door de sten-gels ruischt ? En vraag dan, lijk eengioot Engelsch dichter, of het West-V.aamsch met de zoetluidendste taal is der wereld : O ! 't ruischen van het ranke riet o wist ik toch uw droevig lied wanneer de wind voorbij u voert en buigend uwe halmen roert ; gij buigt ootmoedig nijgend neer, staat op en buigt ootmoedig weer en zingt al buigen 't droevig lied dat ik beminn?, o ranke riet ! Gezelle's dichting is geweest als den ge-prangden bloei van een rozenknop, de iieide tôt de Drie-éenheid van het « Leven » : schoonheid, waarheid en goedheid. Schoonheid vooral : « Hoe schoon, hoe schoon wat zal ik anders zeggen Hoe schoon, hoe schoon en van geen menschenniacht... Zijn levens- en wereldbcschouvving put de dichter uit de Kristelijke, de katholieke mystiek : heel de natuur was voor hem een godsverheerlijking, en in heerlijke vervoe-ring riep hij uit : « God — en geknield durf ik spreken nu God ik weteu, ik lcennc, ik beminne u !... Gezelle is voor ons de Kristendichter met eeuwi^e heimwee naar God, en naAi den hemel. Hij is kristen en hij is dichter. Als hij dicht, bidthij ; als hij bidt... hij bekent het : C Daar liep een dichtje in mijn gebed » Ik heb gezeid dat hij zijn volk lief had. Hij is de nachtegaal, maar 00k de leeuwerk, de vogel der Vrijheid naar Uilenspiegel. « Er zijn geen grooter landverraders dan zij die hnr. ,t.uuv.-aik04£LSÈiê.£J- hun x&fLasi-chenen » zei hij. « 't Vlaamsch îAoet te niet » beweerdé ie-mand. En storm-luidend klonk Gezelle's antwoord : «'ten zal», dat is : het zal niet. « Ge zegt dat 't Vlaamsch te niet zal gaan, 't en zal, Dat hopen, dat begercn wij, Dat zeggen en dat zweren wij, Zoolang als wij ons weren, wj| 't en zal, 't en zal, 't en zal.' Wel zeker is het zoo : Die geen taal heeft Is geen naam weerd, Waar geen taal leeit Is geen volk. Vermelden we terloops nog dat Gezelle in innigebetrekkingstondmetFrédéric Mistral, de redder van Provence, die hem zond : « à Gezelle et à la grande Flandre un baiser de Mireille de Provenee. » Op zijn verwant-schap met Ruskin, Wordsworth, J. Jorgen-sen, enz.. kunnen wehier niet verder ingaan. De Fransch-Belgische schrijvers van « La Jeune Belgique » en « Durendal » hebben hem zeer vereerd in de laatste jaren. Evenzeer ontbreekt ons hier de plaats om te zeggen hoe en waarom Gezelle de voor-looper was in 1870 van de nieuwe moderne richting van 1880 in Holland en 1893 in Vlaanderen. Gezelle zelf is onze eerste modem en onze grootste. Gezelle was vergrijsd teruggekomen in de stad waar zijn wieg gestaan had, na heel zijn leven met zijn volk geleefd te hebben, na zoolang 't Vlaamsche land met een zee van vlaamsche schoonheid en liefde overgoten te hebben. Te vroeg werd Gezelle aan Vlaanderen ontrukt. Gezelle stierf, Gezelle was dood: Gezelle! Neen Gezelle is niet dood : groote dichters sterven niet. Hij leeft, en spreekt nog immer met 't herwordend volk van çijn geliefd Vlaanderen. Te Brugge, zijn geboortestad, ligt Gezelle begraven, een prachtig praalgraf versiert zijn rustplaats, en ieder jaax als het lente-zonnetje over zijn Vlaanderen schijnt, dan gaan de Vlamingen in de akkers en weiden de blommekens plukken waarvan hij ons de schoonheid leerde,enplanten ze dan, lijk een moeder doet op 't grafke van haar kind, boven het edel hart van den grooten, goeden man. Het volk van Gezelle kan men niet dood krijgen ! Geen hellemacht kan Vlaanderen het leven ontnemen. Het volk van Maerlant, Ruusbroec, Vondel, — Artevelde, — Rubens, — Benoit, — Gezelle, zal nooit vergaan ! Vlaanderen's Gezelle en Gezelle's Vlaanderen behooren aan de eeuwigheid. Ze zijn onsterfelijk ! J. Bn. Derde jaar 6 Zondag 20 Mei 1917 x

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.
Cet article est une édition du titre Het nieuws van de week: kristen volksblad appartenant à la catégorie Katholieke pers, parue à Halle du 1914 au 1918.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Ajouter à la collection

Emplacement

Périodes