Den Kempenaer: wekelyksch staet- en letterkundig nieuwsblad

479 0
04 november 1916
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1916, 04 November. Den Kempenaer: wekelyksch staet- en letterkundig nieuwsblad. Geraadpleegd op 27 januari 2021, op https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/nl/pid/6t0gt5gn7r/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

TURNHOUT, ZONDAG 4 NOVEMBER 1916. - Nr 43 - mmam vbohh Zeven-en-zeiventigste Jaargang. DE KEMPENAAR TWEEDE BLAD LETTERHOEKJE. UIT SINT FRANCISCUS. Over de Kalverliefde. Wanneer bovengenoemde aardigheden (1) out-etaan tusscheni personen' van vers chilien <1 ge. slacht, en zonder vooruitzicht op een liuwelijk, noemt meii ze : kalverliefde , 't is een ellendig inisbaks'el of lie ver een echim van Vriendschap, en ze mag den naam van vriendschap niet dragen, noch dieu van liefde, orn tare over-groote ijdelheid en on'volmaaktheid. Welnu, 't is door dezel dat de harten. van jongens en meisjes in den strik loopen, worden o verge liaald, en verbonden Itet eene met het andere in Jedige en gekke genegenheden, gesteund op die ijdelo mededeelingen en dat minsoortig genot, waarover ik hooger sprak. En als t niet de eerste, onmiddeliijke bedoeling is van hen, die z66 minnen, toch ploft die dwaze liefde eind.e-lijk neer in den afgrond van vleeschgenuehten en lage ontucht. Wel zullen er soms verachei-dene jaren voorbijgaan, eer er tussçhen b.en, die van zulke zotheid zijn aangedaan, iets ge. beurt dat tegen de 2edigheid van 't lichaam strijdt ; ze vullen enkel huri liefdeperiode met wenschen, begeerten, vervuchtingen, liefkozingen, streelingen en) andere vodderijen, en dat om verschillende bedoelingen. De eeneni hebben geen ander doel, dan hun liart te verzadigen in het geven en het wt. derkrijgen van liefde ; deze willen enkel de neiging van hun hart voldoen, en hou den alleen rekening met hun goestingjes e(n hun instinkt ; ontmoeten ze een bevallig persoon, ze sluiten, oogenblikkelijk het zoefe minnever. bond, zonder het innsrlijke en de gebre,kenvan den persoon te onderzoeken, en alzoo loopen ze in die elieddige netten der kalverliefde, waaruit men later zoo moeilijk losraakt. — Anderen worden er toe gebracht door verwaand-heid : ze rekeneri het zich geene kleine glorie aan, harten te overwinnen, en ze te biivJon door liefde!; en dezen, op eer belast zijnde, spannen hunns netten op bijzonjjere, hooge, zejdzame en beroemde plaatsen. Al deze vriendschappen zijn slecht, gel< en ijdel ; — slecht, omdat ze uitloopen op de zonde van het vleesch, en omdat ze liefde en lhart aftrekken van God, van d'en man of van de vrouïv, voor wien ze waarlijk bestemd wai. ren ; — gek, omdat ze noeh grondblag, noch reden hebben ; — ijdel, omdat ze noch voor-deel, noch eer, noch voldoening* Verschaffen. Integendeel, ze doen schromelijk veel tijd ver-ljezen, stellen de eer in gevaar, en geven geen enkel genoegen, tenzij eene gedurige spanning van streven en hopen, zonder klaar te weten wat men wil. Want gedurig willen die arme, zwakke geesten, hun liefde verge'd zien door wederliefde-blijken, die ze slecht kunnen bepa len ; en hun begeerte groeit immer aan, en tergt hun hart aanhoudend met aîgunst, mis-trouwen en onrust. Sint Gregorius Nazianzenes schreef pitfig tegen de verwaand'e vrouwen : "Uwe natuur-" lijke schoonheid volstaat voor uwen man ; " is ze voor verscheidene mannen, als een " gespannen net Voor een . vogelgroep, wat zal " er dàn van voortkomen ? Deze zal u beha-" gen, die zelf behagen schept in uw schoon-" heid ; gij zult oogsken voor oogsken, blik " voor blik weergeven ; aanstonds daarop vol-" gen glimlaohjes en liefdewoordjes, als ontsnapt " in 't begin, maar weldra is men gewikkeld " in voile, openlijke flirt. Wachl u, o mijne " klapzuchtige tong, te vertellen wat er daarna " gebeurt ; deze waarheid zal ik echter nog " zeggem : niets van wat jongens en meisjes " sameïi doen of zeggen in zulke "pj ai santé -" rie's", is vrij van groote prikkels. 't Een " brengt lt ander mee, zooals een stuk ijzer, " aangefcrokken door zeilsteejï, er andeîre mee. " trekt". Wat zegde hiji 't goed, die groote bisschop Wat denkt go te doen ? Liefde geven;, neen. Niemand1 geeft er zonder ook te nemen, en die neemt is beetgen'omen in dit spel. Het gras "aproxis" vat Vuur bij h;et eerste aanraken ; zoo ook ons hart : op eens ziet het eene ziel vlammend van liefde ; aanstonds ontgloeit het ook voor dqze. Iema,nd zal zeggen : ik wil er van' nemen, maa» Gen heel kiein zierk'e. Helaas1, ge bedriegt u : dit liefdevuur ijs hovi. ger en indringender, dan ge denkt ; ge meent er maar een vonksken van te ontvarugen, en ge zult verwonderd1 staan omdat het in een oogwenk heel uw hart zal omslingerd' hebben, uwe voornemens in' assche gelegd en uw faam tôt rook doen vervliegen. O God, welke verblindheid, met zulk ver-trouwen, op zulke nietige waarborg, het voor-naamste spel onzer ziel te spelen ! Philothea, God wil d'en menssh enkel om de ziel, de ziel enkel om, den wil, en den wil enkel om de liefde. Helaas ! we hebben geen liefde te koop ; ik bedoel : wij hebben er zoo oneindig veel noodig om God te beminn'en 'lijk tmoet; en toch, ongelukkigen, we Verbrassan en ver-spillen ze in zotle lichtkooiërijen, alsof wij er op overschot hadden. O, die groote God, die alleen wilde beschikken over de liefde onzer zielen, omdat hij ze heeft geschapen, bewaard en verlost, zal zeker streng relienscliap hou-den over de d'waze verkwisting die wij begaan ; als hiji over elk onnuttig woord reeds zoo eÇreng oordeelt, wat zal hij dan doen met die ledige, onbeschaamde, dwaze, verderfelijke vriendschappen ? De notelaar schaadt fel aan de wijngaarden en aan de veld'en, waarop hij geplantis, omdat hij zoo groot is, en aldus al het sap der aarde tôt zich trekt, dat dan andere p'anten moeten ontberen ; zijn kruiii is zoo dicht dat zij een wijd, groot lommer verspreidt ; eindolijk lok( hij de voorbijgangers uit om zijn vrucht af te slaan, en ze trappelen ailes plat neer, rondom. — De kalverliefde brengt dezelfdé schade toe aan de ziel ; ze houdt haar zoodanig bezig, en spant hare krachten zoodanig in, dat ze voor elke goede handeling onbelcwaam wordt ; de bladeren, t. t. z. : de bijeenkom-sten, de pleziertjes en de flirt volgen zoo dik op mekaar, dat ze al den vrijen tijdj in beslag nemen ; en eiudelijk, ze lokt zooveel bekorin-g'en, verstrooimgen en verdenkingen uit, dat heel het hart ,er van opgepropt zit, eii het geheel de klats kwijt raakt. In 't kort : de kalverliefde verbant niet alleen de liefde tôt \ den Heer, maar ook de godsvrucht ; ze ontze-nuwt den geest en doet onze faam dalen ; ze is de pest der harten- ('t Vervolgt.) Ko Flandersen. (1) Zie : verleden week. LANDBOUW. Vereischte kennis tôt het oordetlkundig gebruik van kunstmest. (46e Vervolg). WAAJROM GEBRUIKT MEN WEINIG POTASCH ? Sommige landibouwers- hebbem door 't gebruik van potajsichmest weinig bevredi-geride opbreingsten bekomen. Dit is het geval als men potaschmest ondoelmatig gebruikt b. v. op grond die goed voor-zien is van opneembaren potasch, ofwel op grond die men naast potasch niet ge-noeg van de andere voedende bestanddee-len geeft. Als de voorraad opneembare potasch in den grond zoo groot is dat deze zonder potaschbemesting rijke oogsten ople-vert, dan is het niet noodig potasch door de bemesting aan te brengen. Men kaa dan aan dezen voorraad putten. Het is nochtansi eene dringendâ noodzakelijldieid1 altijd een oog in 't zeil ta houden en van jaar tôt jaar door bemestingspxoeven na te gaan of de oogst niet vermindert, om zoo spoedig mogelijk door potaschbemes-ting den grond tôt grootere en beterel op-brengslen in staat te stellen. Wie dat niet doet kan op weinige jaren veel schade lijden bij den vooreerst door onvoldoende oogsten bij gebrek aan potasch maar tevens om dat het veel mest en geld kost een te zeer ungeputten grond van een behoorlijken voorraad te voorzieni. Deze laatste is yoor eene regelmatige voeding der gewassen zeer gewenscht en zelfs noodig Van den anderen kant kan de potasch, zoo min ais een ander voedend be-standdeel, niet op zijn eigen alleen de planten doen groeien zooals b.Hjkt uit de volgende proef door Maercker gedaan. JJeze Dewijst nog eens te meer aat oe eene voedingsstof met zondep- de andere kan maar dat zij samen moeten gaan om We-derzijds hunne werking te volledigen en goede opbrengst te geven. Met 600 k. nitraat en 60 k. phos-phoorzuur van superphosphaatj verkreeg Maercker 38,970 k. beet met 17,1 suiker. Door toevoeging van 160 k. potasch was de opbrengst 38,570 k. beet met 17,0 suiker. • Bij het nagaan dezer opbrengst zou mm al spoedig besluiten, dat de potasch zonder nut is geweest, vermits hij de opbrengst niet vermeerderde. Men zou noch-tans verkeerd redeneeren Inderdaad, in eene volgende reeks proe-ven gaf Maerckier 120 k. phosphoorzuur in plaats van 60 en hij verkreeg Beet Suiker zonder potasch 42,800 :k. 17,4% met potasch 46,980 k. 17 % In de eerste reeks proeven heeft de potasch de opbrengst niet vermeeirderd, omdat er phosphooxzuur te kort wasi. Van af het oogenblik dat de beet genoeg phos-phoorzuur kreeg, vermeerdert de potasch de opbrengst met 4,100 k. beet en 782- k. suiker per hectaar. 't Vervolgt. * * * Mr Jan Sebrechts, toegevoegae Staats-lanabouwkundige, deed1 in 1913 bij den uit-gever L. Bracclanans te Brecht versehij-uen : Praktische bestrijding van de Knob-belziekte of Knobbel, Toi, Knol, Kwade Voet, Knods, Wrat, Kwabbel en van de Koolvlieg of Worm, Maai,, Mui, Made van Rapen, Koolrapen, Kabuiskoolen, Bloem-koolen, Spruiten, Savooien, Koolzaad, Ra-dijs en Witte Mosterd — met 27 afbeeldin-gen. — Inhoudstafel : Voorwoord ; Eerste Deel ; De Knobbel, Toi, Knol, Kwade Voet, Knods, Wrat of Kwabbel ; Benamin,-gen der Knobbelziekte ; Eenrf benaming die ae ziekte niet heeft ; Verbreiding ; Geschies-denis ; Het uiterlijk der ziek'té ; Hoe de plaag kwaad doet ; Woronin, de vinider, der ziekte ; Natuur der ziekte ; Het wezen der ziekte, efen wondere doening ; Waarom de aangetaste aeelen sterk opzwellen ; Hoe de zieikte voortloopt ; Waarom allëen de kruis-bloemigen aangetast wqrden ; Invloed van vochtigheid ; Invloetd van zuurte ; Geen plaatselijk voedsel voor de ziekte ; Geen onkruidvîoedsel ; De verspreiding beletten der ziektekiemen ; Geen besmet plantgoed ; Soorten dia bestand zijn ; Ontsmetstoffen ; Invloed van stalmest ; Bevordering van den groei ; Oppassen bij zaaogewin ; Be-waring ; B es luit ; TweedeDeel : De Worm, Maai, Mui of Made ; Hoe erg de plaag helerscht ; Het uiterlijk der ziekte.; Van vliegen en wat andersl ; De aard van den worm of made ; Vruchtafwisseling ; Beletten dat de maden vliegen worden ; Ont-emetting van aangetaste plaatsen ; Verdel-ging der poppen ; Geen aangetast plantgoed ; Vergiffen ; Oud zaad ; De vliegen beletten eieren te leggen ; Eenei goede mode ; Soorten die bestand zijn ; Kalk Krachtige planten ; Tegen het rotten der geoogste koolen. Het vlugschrift is te verkrijgen bij den schrijver te Brecht aan den prijs van 0.50 fr. Voor bestellingen van 10, 25, 50 en 100 exemplaren wordt prijsverminde-ring toegestaan. VISCHVANGST. De visschen en het weer. Aile dieren hebben een voorgevoel voor weersverandering. Ook de visschen. Dat is bewezen bij haring en sardijn. (Belang van den hehgelaar). De visschen zijn bijzonder gevoelig voor het « •d»i'«n d# «1 of niet go#d# vischvangsten zijn' af hankelijk van op handen zijnde veranderingen in den dampkring. De oorzaak van sleehte vahgsten moet ge-zocht worden in de weersveranderingen, welke in aantoeht zijn. De visch bijt niet voor cen verandering in de luchtgesteltenis, voor een naderend onweer ; de visch heefl. een voorgevôe] van hetgeen komen gaat en neemt zijirx voor- zorgen tegen gebeurlijke sleehte gevolgen. ♦ * * Vele andere dieren en inzonderheid de vo-gels, voorspellen het weer en handelen dan ook daarnaar. Dit is door waàrnemingeai bewezen en door de wetenschap verklaard1 : vele dieren hebben inderdaad een voorgevoel voor regen, een voorgevoel voor lielder, droog en goed weer en een voorgevoel voor storm. Ieder toch weet dat de duiven in hun onrust naar hun hok snellen' om tegen den kp-menden regen bes'chut te zijn. Blijven zij in een onbehaaglijke stemming op het dak zitten, dan komt er' regen. Merkt men hetgesehreeuw der pauwen niet op bij elke weersverandering, ja zelts bij e.'ke wisseling van wind ? Meeuwen op het land Storm achter de hand1 ? Zingt de vink in vroegen morgenstond, Wis en zeker regen hij verkondt. Ook de insecten, de vliegen en de muggen, b. v., trekken de huizen binnen, om den regen te ontwijken. Wanneer slecht weer op handen is, werken de mieren vlijtiger en vliegen de bijen inderdaad tijdig huiswaarts, terwijl ze zich niet ver van hun korven verwijderen, want : Als niet de bij haar korf verlaat maak zeker dan op regen staat- Van de slakkèn: zegt men : Zijn er veel slakken op de wegen, Onweer komt dan vaak of regen. of : Als slakken en' padden kruipen Zal het spoedig gaan druipen. Zulke waarnamingen, waarop de geleerden vaak geen acht slaan, doch die de eenvoudige buitenmensch dagelijks doen kan, geven meer zeker heid voor de voorspelling van het weer dan de zoogezegde weteosehappelijke voorspel-lin'gen van een professor Falb of van een ouden majoor. * * * Zoudan nu alleen de visschen geen voorgevoel hebben van de naderende w-eersvetrande-ringen ? Dat is toch niet aan te nemen. Waarom zouden zij1 uitzonderingi aan dien algemeenen regel maken. Van den modderkrui-per weet toch ieder, dat : Als hij rustig is Droogte dan op handen is ; Mocht hij rustloos zich bewegen, Vaak volgt dan spoedig regen. Sedert vele jaren nu werd die eigenschap van de visschen opgemerkt en bestudeerd, * zonder dat men nochtans tôt een, afdoende verklaring kwam, Sommige geleerden meenden zelfs dat de visschen een bijzonderen zin had_ den, namelijk de gevoeligheid voor magnetische storingen, en zij dachten dat de ZIJSTREEP, welke men bij de visschen langs weerszijden vart het lichaam opmei-kt, het orgoaa daairvan waS. Al d'e visschen, welke een zijsireep hebben, zouden b. v. een voorgevoel hebben voor naderende stormen. Bij de visschen, welke o.a. gewapeind zijn met een ^uigtoestel aan de borst, zooals de SNOTDOLF, vindt men de zijstreep niet ; daaruit heeft men het besluifc getrokken, dat deze visschen geen behoefté hebben aan die gevoeligheid voor weersveranderingen, omdat zij gevaar zouden loopen tegen de rotsen verpletterd te worden en omko. men zouden. Dit nieuwe zintuig zou dus in. het bestaan van' de meeste vischsoorten onontbeerlijk zijn. Eens is men het .daarover echter niet. Maar wat zeker is en menigmaal opgemerkt werd is, dat de haring b- v., welke op de Engelsche kust gedarende de wint.ermaanden kuit komt schieten, bij naderend onweer zich naar de diepte begeeft- Netten worden daaiiom dwars gezet voor de plaats, waar de, haringén zich ophielden. Telkens werd bewezen, dat zij 10 tôt 12 uretn voor het uitbreken van een onweer zich reeds naar de diepten hadden terug-getrokken.Ook de sardijnen, wanneer zij onder de kust zwemmen hebben hetzelfde gevoel en verdwij. nen ook naar de diepte. Deze onrust voor een naderend onweer toont dus duidelijk, dat de visch zich bewust ls van wat koineri zal en' dat hij erop voorbereid is. Inetinkmatig en bij ds eei-ste wasrschuwing van

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks Den Kempenaer: wekelyksch staet- en letterkundig nieuwsblad behorende tot de categorie Katholieke pers. Uitgegeven in Turnhout van 1838 tot 1937.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie

Locatie

Onderwerpen

Periodes