Gazette van Gent

1019 0
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1914, 21 Juli. Gazette van Gent. Geraadpleegd op 06 juni 2020, op https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/nl/pid/dn3zs2pk0s/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

247e JAAR ■ Nr 167. - B. 5 OENTIEMEN DINSDAG, 21 JULI 1914 GAZETTE VAN GENT IHTSCHRIJTIÎÏGSPRIJS : VOOR GENT : VOOR GEHEEL BELGIE : t Ken j»r fr. 12-00 Een jaar fr. 15-00 [ 6 maandan • • • • • ^ 6*50 6 m&ftndôn» • • • • • 7*7 * I 3 maanden. • • • • * 3-50 3 maau^cn • • • • « ® 41—00 Voor Holland : 5 frank per 3 maanden. Voor de andere landen : fr. 7-50 per 3 maanden, NIEUWS-, HANDELS- EN ANNONCENBLAD Gesticht In 166T (■EURZEN.COURANTf. BËSTUUB EN BEDACTIB VELDSTRAAT, 60, GENT De lurèelen eyn open van 7 ure 's morgends tôt 5 Wt 't avondSc TELEFOON nr 710 De inschrijvers buiten de stad Gent moeten hun abonnement nemen ten Postkantoore hunner woonplaats,, Het procès van Mevr. Caillaux ■ Moord op den heer Calmette, bestuurder van den < Figaro > (De Akt van Beschuldiging De ondervraging van Mevr. Caillaux Deze geruchtmakende zaak is gisteren ! uiaanda^ç, voor het Assisenhof der Seine, i te Parijs, aangevangen. Het hof en de gezworenen deden om ; 12 ure 20 hunne intrede in de zaal. Het ■, hof is voorgezeten door den. heer raads-heer Albanel. De zetel van het openbaar 1 ministerie wordt bekleed door den heer [ procureur Herbeaux. Aan de. bank der [ verdediging bevinden zich : Mrs Labori | voor mevr. Caillaux, en Chenu, voor de I burgerlijke partij. De heer voorzitter vroeg aan de be-I «chuldigde haren naam, ouderdom, enz. I Zij gaf de ahtwoorôen met eene flauwe etem. De gezworenen legden dan den eel af. De griffier gaf lezing van den bescha1-digingsakt, luidende als volgt : De beschuldigingsakt, " Den 16 maart laatst, rond 5 ure des avonds, kwam er eene dame, in de buree-len van het'dagblad "Le Figaro", in de rue Dranot, en vroeg om den bestuurder, den heer Calmette,,te spreken. Daar deze afwezig was, verklaarde de dame te zul-len wachten tôt dat hi.j terugkwam. De : portier, Nicet, vroeg den naam van de bezoekster, doch zij weigerde dezen te doen kennen, zeggende dat de heer Calmette haar goed kende. Niemand had in de bezoekster de mi-nistersvrouw, mevr. Caillaux, herkend. Zij /was zeer kalm en ibedaard en een glimlach zweefde zelfs op haar gelaat. : Gedurende een uur bleef zij in den salon ■wachten, en hield dp. handen voortdurend F in haren mof, waarin zij een revolver ver-borgen had. Rond 6 ure kwam de heer Calmette in den "Figaro" toe. Hij begaf zich naar zijn bureel, waar de heer Paul Bourget, ItTÎ der Fransche Academie, op hem wachtte. Terwijl de twee mannen samen in het bureel waren, kwam de bediende de heer Nicet, nogmaals den naam der bezoekster vrà'gen.' Het is toen dat mev. Caillaux, die ailes voorbedacht had, en er aan hield onbekend te blijven om des te beter de moord te kunnen bedrijven, den bediende een gesloten briefomslag met de hoofding .der Kamer overhandigde. De bediende droeg den omslag bij den heei Calmette, die/ er het visietkaartje van •mevr. Caillaux in vond. Hij toonde het kaartje aan den heer Bourget, die hem zégde : " Gij zult haar nu toch ni et ont-vangen?" — "Ik mag immers niet wei-geren eene dame te ontvangen", weder-t voer de heer Calmette, die dan ook bevel f gaf de bezoekster in zijn bureel te lel-den.De moord. Mevr. Caillaux, steeds kalm en koel-ibloedig, en de handen in haren mof, trad het bureel binnen. De heer Calmette ontving haar beleefd en verzocht haar te gaan zitten. "Gij kunt zeker-het doel van mijn be-zoek niet gissen?" vroeg zij, en eer de iheer Calmette kon antwoorden, trok zi; een revolver uit haren mof en loste ver-scheidene schoten op den heer Calme'tte, die doodelijk getroffen ten gronde viel. De moordenares hield eene poos op met schieten. Verscheidene bedienden kwa-men op de losbrandingen toegesneld. Eei deze lieden mevr. Caillaux konden vast-grijpen, keerde zij zich nog eens om en loste nog een schot op den ongelukkigen Calmett- , die op den vloer neergevallen lag. -Steeds koelbloedig wendde de moordenares zich dan tôt de toegesnelde bedienden en zegde : " Ik ben mad. Caillaux en ik heb mij zelf gerechtigheid doen geworden, daar de rechtbanken het in Frankrijk niet kunnen !" Terwijl rond-ora haar de grootste opschudding heerschte, bleef zij kalm en zegde nog: " Het was het eenig middel om er voor goed een einde aan te stellen !" Hoe is het mogelijk dat mevr. Caillaux na deze bekentenissen nog durft bewe-ren, dat zij niet het inzicht had te doo-den, dat zij den heer Calmette enkel schrik wilde aanjagen en dat zij op goed valle het uit geschoten heeft. De exper-ten bewijzen integendeel dat zij met een stevigen arm op haar slachtoffer gemikt heeft en dezen op de gevaarlijkste plaats namelijk in het hart,' heeft weten te tref-fen.Zoo groot was de koelbloedigheid de-zer vrouw, dat zij aan den agent, die haar ontwapende, zegde : " Pas op, want mijn revolver is nog met een kogel gela-den."Dood van den heer Calmette. Terwijl de moordenares naar het poli ciebureel geleid werd, kwamen verscheidene geneesheeren het slachtoffer ver-zorgen. Zij bevonden zijn toestand vol-strekt hopeloos. De heer Calmette bleef tôt op het laatste oogenblik bij zijn voile verstand. Eer men hem naar het gasthuis overbracht, overhandigde hij zijne brie-ventesch aan zijne medewerkers, en zegde met zwakke stem: "Ik heb gansch mijnen plicht gedaan, nooit deed ik iemand jkwat'ad., Mij ne familie... mijne vrienden !..." Meer kon de ongelukkige niet uitbren-gen. Men droeg hem naar het gasthuis, waar hij 's nachts overleed. De voorbedachtheid. Mevr. Caillaux heeft dien man dood geschoten met eene.koude berekening en met het vast inzicht haren vijand het le-ven te benemen. Dit blijkt duidelijk uit gansch hare handelwijze vôér, op het oogenblik en onmiddellijk na de mis-daad.Eenige uren vôor de moord, ging zij bij den wapenhandelaar Gastinne-Renette een revolver koopen, deed hem laden met kogelkardoezen en oefende er zich eeni g en tijd mede in de schietbaan. van den wapentwinkef. Vervolgens ging <zij ïiaai huis en schreef den volgenden brief aar den heer Caillaux, die op dit oogenblili in het ministerie was : . "Toen ik u dezen morgend op de hoog te bracht van mijn onderhoud met der rechter Monier, die mij bevestigde dat het gerecht onbevoegd was om Calmette tôt zwijgen te brengen, hebt gij uitgeroe-pen dat gij Calmette den kop zoudt ver-morzelen. Ik had uw inzicht begrepen en mijn besluit was spoedig genomen. Ik zal in uwe plaats gerechtigheid plegen, want Frankrijk en de Republiek hebben u noo-dig. Ik zal de daad plegen, en wanneer deze brief u zal geworden, zal ik gerechtigheid gepleegd hebben ; mijn geduld is ten einde." En toen mevr. Caillaux de misdaad gepleegd had, riep zij uit : " Dit was het eenige middel om er een einde aan te stellen !" Haar berouw is eerst later gekomen, toen zij in het policiebureel en in het ge-vang door den onderzoeksrechter, den heer Boucard ondervraagd werd. Toen beweerde zij dat zij niet het inzicht had den heer Calmette te dooden, dat zij hem slechts eene les had willen geven en hem alleenlijk had willen waarschuwen en schandaal verwekken. Die beweringen houden geen stand. Waarom, indien zij enkel schandaal wilde verwekken, deed zij haar revolver met kogcls laden ? Waarom oefende zij zich in het schieten 1 Waarom loste zij vijf schoten op den heer Calmette? Waarom schreef zij dien brief aan haren man 1 Mevr. Caillaux beweerde ook dat zij niet wist wat zij deed, dat haar hoofd op hol gebracht was door het feit, dat ieder-een in de bureelen van den "Figaro" haar herkend had. Zij beweert in den wachtsalon drie bedienden van den "Figaro" te hebben hooren spreken op min-achtende wijze over haar en haren man ; zij beweert te hebben hooren roepen": " Laat mad. Caillaux binnen komen !" Zij zou zelfs om zich hebben hooren la-chen. Dit ailes, zegt zij, maakte haar zoo zenuwaclitig en bracht haar hoofd zoo zeer op hol, dat zij niet meer wist wat zij deed. Doch, al die beweringen van mad. Caillaux worden ten stelligste gelogenstraft door de getuigen. Al de bedienden van den "Figaro" houden staande, dat zij in de bezoekster mevr. Caillaux niet herkend hadden en dat ook haar naam door niemand uitgesproken geworden is. Het was eerst nadat de moord gepleegd was, dat men wist wie de moordenares was. Al de getuigen zijn het daarover eens. Ten andere, toen de policie haar kwam aanhouden,: zegde zij : " Ik ben mevr. Caillaux !" Zij wist dus goed dat men haar niet kende, vermits zij zichzelf kenbaar maakte. De heer Paul Bourget, lid der Fransche Academie, die bij den heer Calmette was toen de bediende het visietkaartje van mevr. Caillaux, in een omslag gesloten, bracht, bevestigt dat de heer Calmett© aan geen enkelen bediende den naam van onevr Caillaux noemde. Mevr. Caillaux was maar met ééne ge-dachte behept : gerechtigheid plegen en den heer Calmette dood schieten, want volgens hare eigene bekentenis was dit "het eenige middel om er een einde aan te stellen". Ten andere, heeft mevr. Caillaux de voorbedachtheid zelf niet bekend 1 Tij-dens hare eerste ondervraging bekende zij dat zij,hare "daad om 1 ure 's namid-dags voorberaamd had". Later beweerde zij dat het eerst om 2 1/2 ure was, na ■; het vertrek van haren man, dat zij het besluit nam " stappen aan te wenden bij Calmette". En dadelijk begon zij toebe-reidselen te maken. Zij deed zich veront-schuldigen op een diner, dat zij 's avonds moest bijwonen in het Italiaansch ge-izantschap, schreef aan hq,ren man dat haar geduld ten einde was en ging een revolver koopen en zich in het schieten oefenen. Waarom al die toebereidselen als zij toch maar van zin was een schandaal te verwekken of eenvoudig den heer Calmette schrik aan te jagen 1 De drijfveer der misdaad. Het opernb^ar ministerie onderzocht vervolgens welke drijfveer mad. Caillaux tôt de moord mag gedreven hebben. "Mad. Joseph Caillaux, Geneviève-Joséphine-Henriette Rainouard, is gebo-ren te Parijs, den 6 decenrber 1874. Zij trouwde eerst met den heer Léon Clare-tie, waarvan zij scheidde, om den 21 oc-tober 1911 met den heer Caillaux, toen voorzitter van den ministerraad, en die ook gescheiden leefde van zijne eerste vrouw, mad. Guydan, te trouwen. In den loop van het jaar 1909 schreef Caillaux, aan Geneviève Rainouard verscheidene brieven, waarin hij sprak over zijne politieke daden. Deze brieven waren in het bezit geraakt van mevr. Guydan en deze nam er kopij van. In december 1913 werd de heer Dou-mergue voorzitter van den ministerraad en de heer Caillaux minister van finan-ciën. Toen begon de heer Calmette in den "Figaro" hevige artikels af te kon-digen tegen den heer Caillaux. De artikels van den heer Calmette ble-ven stipt op politiek terrein en nooit viel hij den heer en mevr. Caillaux persoon-lijk aan. In deze artikels hekelde de heer Calmette de financieele politiek van Caillaux, en beschuldigde hem van financieele konkelfoezerijen. Hij streed met Caillaux in de zaak Rochette en beschuldigde hem dezen aftroggelaar te hebben doen in vrijheid stellen. De heer Calmette beschuldigde ook den heer Caillaux de belasting op .het inkomen in den grond geboord te hebhen. En om dit te bewijzen, kondigde hij .in den "Figaro" een brief af, geteekend ."Ton Jo", dien de heer Caillaux vro.eger geschreven had aan Geneviève Rainouard. In dien brief stond onder andere : " Ik heb de belasting op het ■ inkomen in den grond , geboord, met nochtans den schijn aangeno-men te hebben deze te verdedigen." De hew Calmette had zorg'gedragen uit dezen brief ailes weg te laten wat zinspeel-de op de persoonlijke betrekkingen tus-schen mevr. en den heer Caillaux. Deize laatsten waren ten :zeeriste g\e-troffen door de artikels van den heer Calmette, en wenschten natuurlijk dat -deze zou ophouden met Caillaux aan te vallen. De heer Calmette echter ging voort met zijne polemiek. iSedart de afkondiging van den brief "Ton Jo", vreesde mevr. Caillaux dat er in den "Figaro" nog andere brieven van haar gingen verschijnen, waarin hare intieme betrekkingen met den heer Caillaux zouden bekend gemaakt worden. Dat was eene ongegronde vrees. Zij had immers gezien dat de heer Calmette in den vorigen brief aile persoonlijkheden van kant gelaten had en enkel de politieke uittreksels nam. Op welke feiten kon mevr. Caillaux zich steunen om de afkondiging van andere brieven. te vree-zen. Op niets, te;meer daar het-bewezen is dat de heer Calmette volstrekt geene andere brieven van haar meer in zijn bezit had. Ten andere, de heer . Caillaux zelf wist' dat de' heer Calmette nooit een intiemen brief van hem zou _afkondigen. tmmers, 's morgends van den dag der misdaad, had de heer Caillaux een onderhoud ge-had mletl deçà iheer Poincaré, président der republiek. Het gesprek liep over de polemiek van den "Figaro" en de heer Caillaux drukte den président zijne vrees uit dat de heer Calmette intieme brieven van hem zou afkondigen. De heer Poincaré verzekerde hem, dat zulks nooit zou gebeuren. Die verzekering bedaarde Caillaux. Waarom deelde Caillaux die verzekering van den président niet mede aan zijne vrouw 1 Integendeel, hij hitste haar nog meer op met te zeggen : " Ik zal Calmette den kop te pletter slaan Wat er ook van zij, mevr. Caillaux beweert dat die vrees haar bijbleef en steeds grooter werd. Het is toen dat zij den heer Monier, voorzitter der recht-bank, ging raadplegen, om te weten welke middelen het gerecht kon aanwenden om den heer Calmette tôt zwijgen te brengen. De heer Monier bevestigde haar dat de rechtbank in die kwestie onbevoegd was. Mevr. Caillaux ging dit mededeelen aan haren man, en het is toen dat deze uitnep : "Als er dan toch niets aan te doen is, dan zal ik Calmette den kop gaan te pletter slaan !" Dit gebeurde in den voormiddag. Na het middagmaal keerde Caillaux naar het ministerie terug, en het is toen, dat mevr. Caillaux den brief schreef, dien wij hooger mededeelen, den revolver ging koopen en den heer Calmette dood schieten.Besluit. Bijgevolg wordt Geneviève-Joséphine-Henriette Rainouard, vrouw Caillaux, beschuldigd van : Den 16 maart 1914 te Parijs een vrij-willigen doodslag gepleegd te hebben op den persoon van den heer Gaston Calmette, met deze bezwarende omstandig-heid, dat de moord gepleegd werd met voorbedachten rade,, misdaad voorzien ibij artikels 295, 296 en 302 van het straf-wetboek."Vervolgens ging men over tôt de naam-afroeping der getuigen. Ondervraging van mevr. Caillaux. De heer Aibanel ging dan over tôt t'e ondervraging van mevr. Caillaux. Deza begon met te vertellen, dat zij gelukkig leefde met haren man. "Ik had ailes om gelukkig te wezen, zegde zij, ware dit geluk niet vergald geworden door den laster." Mevr. Caillaux legde dan uit, dat zij op de ontvangsten en feesten onthaald werd op minachtende glimlachjes en kwgiadwillenda (?inspelingen, het gevolg van de aanvallen van den heer Calmette, in den "Figaro". "Men zegde, vervolgde zij, dat mijn man omgekocht was door Duitschland, in de kwestie van Fransch-Congo. De veldtocht van den heer Calmette was ons zeer pijnlijk, daar de politiek er niet mede gemoeid was, maar wel persoonlijke kwestiën. Na de afkondiging van den brief "Ton Jo", had ik aile reden om te gelooven, dat mijne intieme brieven ook gingen afgekondigd worden. Ik was er zoo zeer door getroffen, dat ik .niet meer wist wat ik deed." Bij het uitspreken dezer woorden, boog mad. Caillaux het hoofd en hare stem klonk zeer ontroerd. Zij gaf lezing van al de artikels, welke de heer Calmette tegen den heer Caillaux geschreven heeft. • • ; Zij zegde nog dat Mad. Guedan, eerst» vrouw ,van den iheer Caillaux, gemeld heeft dat zij hem drie brieven had doen ontstelen, waartusschen den brief door den " Figaro" afgekondigd en dat zij van zin was deze brieven tegen hem en tegen haar te gebruiken. Mevr. Caillaux verklaarde verder dafc zij voor niets in de echtscheiding van mevr. Guedan en den heer Caillaux tus-schen was. De betichte zegde ook nog dat haar man en zij wisten dat de brief "Ton Jo", alsook de twee andere aan talrijke dag-bladen aangeboden waren, doch gewei-gerd werden. De hoofding waarmede de brief "Ton Jo" in den "Figaro" afgekondigd werd, deed veronderstellen dafc de twee andere brieven eveneens gingen afgekondigd worden. " Het was de bestendige bedreiging van. openlbaarmaking van Jbrieven of deelen van brieven, waarin er zooveel spraak was van politieke aangelegenheden als van private zaken, die mij het hoofd deden verliezen", zegde de betichte. Mevr. Caillaux legt verder uit, hoe de heer Monier ,voorzitter der rechtbank, door haar geraadpleegd over het inspan-nen van rechterlijke vervolgingen om het openbaar maken van intieme brieven te voorkomen, haar antwoordde, dafc er in Frankrijk geene wet bestaat die den laster van dagb 1 adschrijvers beteugelt, wanneer het politieke mannen betreft. Mad. Caillaux gaf vervolgens het ge-bruik op van haren tijd, den dag van het drama. Terloops haalde zij aan dat, toen zij aan den heer Caillaux mededeelde, wat de heer Monier haar gezegd had: de heer Caillaux haar zegde: "Als he£ zoo is, dan zal ik den heer Calmette in het gelaat gaan slaan !" Zij vervolgde : " Indien mijn echtgenoofc mij zou gezegd hebben dat men zich maar in het lot moest schikken, dan zou ik hem als een lafaard beschouwd hebben. In het bijzijn van den minister van oor-log vroeg ik hem, wanneer hij dacht zijne bedreiging ten uitvoer te brengen, of het onmiddellijk zou zijn. Hij antwoordde: Neen, het zal op tijd en stond ge&chieden. Mevr. Caillaux vervolgde : "Indien gtf wist, wat ik dien dag geleden heb ? Denk toch eens dat mijn echtgenoot een mensch ging dooden. Ik dacht zelfmoord te plegen. Ik zou dien dag gaarne mijn leven gegeven hebben, indien men het mij had gevraagd, voor de rust van mijn echtgenoot. Ik kreeg het gedacht zelf een stap te wagen, en ik meende dat ik mogelijks het afkondigen van de brieven zou kunnen beletten. Ik had altijd een Hein en revolver, dien ik van mijn vader ge&regen had, in mijn bezit. Indien ik den ijslij-ken afloop voorzien had, dan zou ik hefc openbaar maken der brieven verkozen hebben..." En weenend voegt mad. Caillaux erb;j, dat zij hare daad niet beraamd had ; dat zij nooit van zin was den heer Calmette te dooden. Weenend hoorde zij het verhaal der moord aan, door den voorzitter der assisen gedaan. Zij boog het hoofd en antwoordde snikkend : "Ik weet niefc juist wat er gebeurd is. Ik heb geschoten. Ik dacht niet hem getroffen te hebben. Ailes duurde maar een second. Die revolvers, die gaan van zelf af !... Ik be-treur oneindig wat ik gedaan heb..." Heden, dinsdag, wordt de ondervraging voortgezet. "5. Feuilleton der"Gazette van Gent. Verzegelde Lippen Roman van R. ORTMAN. De consul haalde de schouders op. — Men neemt wat men kan krijgen. De tij-den zijn slecht. En als gij op gouden pa-; radijsvogels gerekend hebt, dan hadt gij niefc naar deze kleine badplaats moeten komen. Maa.r gij hadt immers een bijzon-dere reden daartoe 1 — Die had ik, ja, — en als ik mij op I uwe geheimhouding verlaten kan, dan l wil ik u die reden nu ook wel mededee-I len. _ — Natuurlijk toch, mijn waarde. Ben ik .een oude kletskous 1 — Nu dan — ik sta op sprong om een kolosallen slag te slaan. Indien de din- >' Sen zich verder ontwikkelen, zooals ik t. wiwacht, dan ben ik bkmenkort een f rijk man — een man, die tôt zijn levens-' einde toe over een vast inkomen van î rainstens honderd duizend mark zal hebben te beschikken . De dikke consul opende den mond en ^ergat in zijn grenzenlooze verbazing hem weer te sluiten. — Ik weet niet in hoever gij met mijne i Reheimen bekend zijt, hemam Holnstein. Maar ik heb u toch, naar ik meen, reeds | er overgesproken, dat ik eene zuster , «ad. Zij was eene schoonheid en deed t daardoor eene schitterende partij. Mijn zwager was vier mâal millionair, en ik betreur het nog altoos, dat ik indertijd î fieen verstand genoeg ,liad om daarvan L eipn bpetje te profitjejgijètt., Mijne zuster | «Uetf het. eerst, en haar man volgd"« haar ' spoedig. Zij ~ lieten 1 eene éériige | • ' 'i: : ■ , •1 x .f i": dochter na, die van kindsbeen af zieke-lijk was en in haar negentiende jaar de-tering kreeg. Gij kunt u verbeelden hoe .aangenaam ik was verras* , toen ik op een goeden morgend het bericht ontving, dat zij om zoo te *zeggen op haar sterf-bed nog was getrouwd. Want ik was-haar éénig-e bloedverwant, en bij haren dood had haar gans^he vermfogen ,alan mij moeten komen .Het waren niet juist de vriendelijkst& gedachten, die ik des-tijds haren echtgenoot, den advocaat Vollmar toedroeg. , — Vollmar — zegt gij ?-viel 'de consul in. Is dafc dezelfd heer, met wien gij mij eenige dagen geleden hebt laten kennis maken 1 — Dezelfde. Zooals zich liet voorzien, was zijn echtelijk geluk met mijne ziieke nicht slechts van korten dmrr. ik had destijds. Igeen |vaste' woonplaats, en ik ontving het bericht van haar overlijden eerst tamelijk laat, tegelijk met de me-dedeeling, dat zij mij in haar testament een legaat had vermaakt. Het was wel een aardig sommetje, maar toch slechts een bagatel in vergelijking met datgene, wafc zij mij .door haar huwèlijk had doen ontgaan. Ik twijfelde natuurlijk geen oogenblik of zij had haren man tôt haar eenige en "algemeéne erfgenaam gemaakt,-en vier jaar lang bekreunde ik mij verder niet om de geschiedenis. Maar bij mijne laatste verblijf te Berlijn kwam ik op den inval, eens bij den notaris, die mij indertijd het legaat-had uitebtaald, eenige inlichtingen omtrent den inhoud vap het testament te- gaan inwinnen ; en daar. vernam ik tôt mijne grenzelooze vérrassing, dat ik de hoop op het vermo-geh mijnér nicht zaliger, of.tenminste op het vruchtgebruik er, van, :nog volstrekt niefc behoefde op te^geven. Want op den -eigeh dag, op welken Vollmar een twee- de huwèlijk aangaat, wordt het vrucht->' $ f ' - '} \ gebruik van het. kapitaal, waaraan hij overigens niet raken kan, ontnomen en gaat op mij als eenigen bloedverwanfc der overledene vrouw over — Een merkwaardig geval !. riep de consul, die met levendigei belangstelling toegeluisterd had. Maar bij slot van re-kening niet veel beter dan een kans ;op erven. Want vriend Vollmar zal natuurlijk wel oppassen, niet voor de tweede maal in het huwelijksbootje te \stap-. pen. — Hm hm. Het komt er slechts op aan, hem daartoe te brengen. i De dikke grinnikte. — Wat, mijn waarde heer? Gij zijt naïef genoeg om zevo iets voor mogelijk te houden? — Haha! De mannen die enkel uit liefde een jaar-lijk&ch inkomen van honderd-duizend mark verspelen, zijn al lang uitgestor-ven. Ja, als hij nog een lyrisch dichter van een-en-fcwintig jaar of een kandidaat in de theologie was ! Maar een jurist ! — Neen, geachte heer, die hoop kunt gij ge-rust laten varen ! — En als ik u nu zeg dat ik reeds op den besten weg ben om mijn doel te be-reiken 1 — Hebt gij niet gemerkt hoe hij Dagmar aankijkt, en hoe hij haar het hof maakt? Enkel om haar is hij hierheen gekomen, en als pd niet de eene of andere fataliteit in den weg komt, dan is de verloving zoo goed'als zeker. De consul sloeg zich op den knie, dat het kletste. L — Nu, als gij dit klaar, speelt, dan neem ik mijn hoed voor u af !... Maar — houd mij ten goede — die advokaat moet toch , wel/ een, kolossale schaapskop zijn, als hij .geen„lont ruikt. Juffrouw Dagmar' is ontegenzeggelijk een lief meisje en wel een, persoontje, om een - man het < hoofd op .hol te helpen.ï Maa.r wanneer ;he;t oogmer.k zoo.lclaar-voor-de>handiigt,! als hier —v— ç }— Voor hem ligt het natuurlijk niet voor de hand ; en dit is juist de reden, waarom ik hier op Norderney, evenals te Berlijn, den naam van mijne overledene vrouw in plaats van mijn eigen naam. heb gevoerd. Indien ik mij als Ewald von Bendheim had vootrged<^an, 1 dan zou Vollmar natuurlijk ' terstond geweten hebben wien hij vôér had, en bij zou in Dagmar's toeschietelijkheid niets dan sluwe berekening hebiben gezien, Maar-van een mijnheer Holnstein had hij zeker nooit gehoord.' Persoonlijk hadden wij elkaar nooit ontmoet. Mocht hem werke-' lijk bekend zijn geiweest, dat ik nog op rijperen leeftijd eene weduwe heb ge-. trouwd, dan kon hij toch bezwaarlijk haren naam geweten hebben. Daarvan kreeg ik de proef op de som, toen ik Dagmar hefc eerst naar hem toe zond. Haar naam-wekte bij hem niet de ge-ringste gedachte aan den oom van zijne vrouw, dien hij zeker niet meer onder de levenden telfc. — Ik begin het te snappen. Een fijn plannetje, dat gij daar geknutseld hebt! Veel te fijn haast, om.op het slagen er-van te kunnen rekenen. Op een goeden dag moet die heer Vollmar toch ontdek-ken hoe de vork in den steel zit ; en daar die dag vermoéelelijk nog wel voor zijne bruiloft met juffrouw. Dagmar zou aan-breken, zoo zou i ik mij in uwe plaats maar geen al te groote illusies maken. . — Ik zie'( volstrekt niet in waarom het zoo zou moeten loopen. De jonge man is, naar ik van aile kanten vernam, iemand ;v<jtn karakter en eer, die een eenmaal ge-igeven -woord^niét zal breken. En boven-dien, in geval 'hij op Dagmar veriiéfd ;is — v • 1 ' !> V ; — Nu'het is mogelijk, dat hier, werke-lijk nog zoo een diluviaansche romanhêld is opgedoken. — ofschoon ik voor mij er niet recht aan gelooven kan. Ik heb den .man opzettelijk eens terdege geobser-veerd, en hij maakt op mij volstrekt niet den indruk van een sentimenteelen dwee-per. En weet gij wat mij bij deze geheele zaak het meest verbaast? ■ — Nu? „ — Dafc-juffrouw Dagmar,. anders. zoo fijngevoelig en hooghartig, zich tôt deze intrige heeft geleend. Welk belang toch kan zij er bij hebben, u een .inkomen te verschaffen, dat zij eerst haren man ontstelen, moet? — Oho ! Zij vermoedt natuurlijk van dezen feamenhang niets. Zij weefc 'van mijne verwantschap met Vollmar even weinig, als van de bewuste testamentaire beschikking. Indien zij daar de lucht van kreeg, zou waarschijnlijk het heele spel verloren zijn. — Dat wordt hoe langer, hoe belang-rijker ! — En hoe hebt gij het aangelegd om deze twee onnoozele menschen-kinde-ren met elkaar in aanraking te brengen ? — Heel eenvoudig. Ik herinnerde mij een lang verdwenen neef van mijn vrouw, naar wien ik wel eens inlichtingen kon in-stellen ; en daar men tôt dergelijke inlichtingen gewoonlijk een ^jurist .in den arm neemt, zoo zond ik Dagmannaar den hefjr' Vollmar, waarbij ik' hâar tevens re-denen. gaf waarom het in dit geval beter was mijn waren naam te verzwijgen. Begrepen 1 Uifcmuntend. Ailes heel handig be-disseld. En hoe hefc toen verder is go-: gaan,- kan ik mij wel denken. De advo-î kaat is op'zijne lieve cliente hais over, kop verliefd geraakt en is haar in de hoop op een aardig avontuurtje hierheen nagfreisd. Maar wa'ar zijn nu de, bewij-'zen,'- dat-het hem om iets meer dan qen avontuurtje te doen is? . » t v ' t., „ Dat laat ik de zorg van mijne stie-f-dochter zijn. Dagmar is geen meisje dat tôt loufcer tijdverdrijf met zich spelen laat. —Uw optimisme is ben ij d en a waar d i g, en ik wensch u van harte geluk. Maar deze isiehoone toekom|s.tmuziek ontflieft ons niet van de zorg voor den dag van heden. Het blijft dus bij de afspraak voor heden avond? Ik zeg nogmaals, dat ik heel weinig zin er in heb. Uwe luidjes bevallen mij niet. Ik weet niet in hoever er op hunne v stilzwijgendheid te rekenen valt. Eni in- ' dien er nu een fataal gepraat ontstond, f élan zou heel mijn schoon plan in duigen liggen... Ik wil u dus een voorstel doen, consul. Wij laten liever die magere var-kens ongeschoren^ ,Maar aangezien ik volslagen op het droge zit, zoo schiefc gi,j mij zesduieznd mark op mijne erfeni» voor. Ik betaal ze u vijfvoudig terug. De dikke consul keek hem met dicht-geknepen oogjes aan. — Dafc is natuurlijk eene flauwe aar-digheid van u. Of ziet gij mij voor heele-maal simpel aan?... Ik nam net zoo graag eene hypotheek op een stuk grond op Sirius, als dat ik u iets voorschoot op. di<» phantastische erfenis. Voor,. een klucht-spel is de gedachte misschien, heel aardig,- maar in het werkelijkefleven plegen dergelijke plannetjes jàmmerlijk sohip-breuk te lijden. Dus, ' zoolang de(edele kaarten u nog eene tainelijk^zekere bron van inkomsten verschaffen, moet "gij lie- ! ver rusfcig daarbij blijven. . i V ' (Wordt voortg»ezét.) 1 . .. \v* •> * * . . Mi &M ' • 'V'V | f ÎJ

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Toevoegen aan collectie

Locatie

Periodes