Het tooneel

292 0
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1917, 02 Juni. Het tooneel. Geraadpleegd op 03 juli 2020, op https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/nl/pid/j38kd1rm23/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

2e Jaargang Nr 38 — 2 Juni 1917 Beheer en Redactie : Kerkstraat, 13, Antwerpen 10 Centiem Louis Bertrijn. Niet 't gerijigste, kleine wolkje dreef aan 't pure uitspansel. Brandend-warm glariede de gul-dene zon hoog in de lucht. Langzaam beende ik langsheen de breede leien, onder 't jeugdige, eerste groen der op reg'elmatige afstanden, in rij ge-plante boomen. Af en toe reed snel een zwaar-wegende electrieke tramwagen voorbij, terwijl de wattman herhaaldelijk de snijdende - scherpklin-kende bel liet rinkelen. Verdiept in gedachten, was ik eei'der dan ik dacht, op de hoogte geko-men eener breede zijstraat, waar de door het Ant-werpsche tooneelpubliek gevierde kunstenaarsge-zin Bertrijn woont. Ik stapte den hoek der Verbondstraat om, en na een honderdtal schreden, bevond ik mij voor het tehuis van den bestuurder van den Koninklijken Nederlandschen sehouwburg. Enkele zinnen, vlug neergepend, hadden hem van mijrï lcomst verwit-tigd. We gingen de zes of zeven marmeren trap-pen van de vestibule op, en traden in de ruime, met veel goeden smaak gemeubileerde salonka-mer.In korte woorden stelde ik den talentvollen ar-tist op de hoogte van het doel van mijn bezoek. — U brengt mij in een ware verlegenheid, ver-klaarde hij mij glimlachend. Wat voor uitheem-sche tooneelspelers een alledaagsch iets moet we-zen: een interview, is voor ons Vlamingen een uitzonderlijk geval. Het ligt in de gewoonte der Fransche en Noord-Nederlandsche pers uitvoeri-ge levensbeschrijvingen aan uitbeeklingskunste-naars te wijden. Het publiek wordt ingelicht over het denken en het voelen, de inzichten en verlan-gens der acteurs. Af en toe zelfs loopt men er wel een eindje te ver mede weg, en treedt men, op een al te onbescheiden wijze,m het privaat le-ven. Nu, heel graag wil ik u wel eenige biografi-sche notas verstrekken, ofschoon ik vrees dat men in mijn levensloop maar weinig belang zal kunnen stellen. Hij was tôt heden zoo eenvoudig gewoon! Louis Bertrijn, de rijkbegaafde herscheppings-artist is door en door een echte Antwerpenaar... Hij werd op 10 Juli van het jaar 1868 geboren. Wanneer de aan elk kind eentonig-toeschijnende studiejaren achtei den rug waren — zij zijn in werkelijkheid misschien wel de heerlijkste periode uit elk menschenleven — bekleedde hij een tijd lang eene betrekking op het kantoor van een ad-vokaat, tôt hij later in de zaak zijner ouders ging. In de gekende dilettanten maatschappij «Ver-broedering» trad hij voor de eerste maal ernstig op, in een druk besproken politiek stuk: «Onder de Schoolwet». Van dien keer af vestigde hij de aandacht op zich, en nog was er geen jaar ver-streken of hij vervulde in hetzelfde tooneelwerk — met eene heropvoering — de zeer belangrijke jonge roi. Wel had heer Bertrijn van in zijn prilste jeugd laten blijken dat hij voor de planken eene bijzon-dere neiging had, ofschoon dit toch nog maar kinderspel was. Hij kon zoo wat acht of negen jaar oud wezen. Men vertoonde op den Franschen Sehouwburg de beroemde opéra «Carmen». Wanneer het koor aanheft : «Avec la garde montante...» enz,, komen eenige kleine bengels mede op. Hoe het gelukte, herinnert heer Bertrijn zich niet meer, maar met een paar vriendjes wist hij zich bij dat jonge volkje te doen aannemen. Na de voorstelling had men hem een frank als vergoeding gegeven, en fier als d'Artagnan, keerde hij naar huis terug, waar zijne ouders vol onrust, allerhande nare ver-onderstellingen makend, op hem wachtten. — Waar komt gij vandaan was het eerste wat zij wilden weten. Trots klonk het antwoord: — Ik heb medegespeeld op den Franschen thea-ter!... * —"ik zal u een theater geven! riep zijn verbol-gen vader, en meteen diende hij aan zijn zoon een duchtig pak slaag toe. Maar wat gat dat, de snaak voelde toch nog altijd het zelf verdiend, éénfrankstuk m zijn zak! Later, als hij de lessen op de kostschool van Sint Niklaas volgde, en daar stulcjes opgevoerd werden, moest over 't algemeen heer Bertrijn den hoofdpersoon uitbeelden, en het nog kortebroek-ventje schrikte niet terug voor de titelrol m «Non-kel Thomas»! Wanneer hij zoowat vijftien zomers achter den rug had, stichtte hij met eenige makkers een tooneelgezelschap, dat zijnen zetel had bij heer Casteels, in de Markgravelei. Al de leden waren jong, — ook wilden zij een klinkende benammg aan hunne societeit geven, en zij besloten haar stoutweg te betitelen: «De JongeStrijders». En-kel oorspronkelijk werk wilden zij voor het voet-licht brengon, en zoo viel o.a. hun keus op «Mees-ter en knecht» door D. Sleeckx. Op den keper beschouwd heeft heer Louis Bertrijn zich niet al te veel met tooneelkringen inge-laten. Wel speelde hij in de vereeniging «Genoe-gen zij ons doel», en wist men hem enkele malen over te halen om in het gezelschap «Vondel» op te treden. Dit laatste zal niemand verwonderen, daar heer Flor Caproni, de rastype van den voor-zitter, die zich geene moeite spaart om kundige elementen op te pikken, en die met hart en ziel aan zijne societeit verhangen is, zoozeer dat hij er allçs op zou voor offeren, al te goed bekend Heer Bertrijn had een bijzondere voorliefde voor de «iviarnixvrienclen», eene maatscnappij, die > op het Kiel haren zetel had, en waarbij hij menig- | vuldige kameraden telde, meestal hooger ontwik- | kelde jongelingen, die het dan ook later ver brach-ten, en onder de eerste plaatsen in de cosmopoli- j tische wereldhaven bekleeden. Langs dit midden geraakte hij aan den sehouwburg. Er was juist eene oneenigheid opgerezen in ; het Vlaamsch Theater. Terwijl heeren Van Doe- ;! selaer, Dilis en Lemmens aan de nationale instel- ;< ling trouw bleven, seheurden Mej. Julia Cuypers, ' moeder Verstraete, de heeren Verstraete, Laro- f che, B. Ruysbroeck en anderen af, en vormden, [ min of meer in combinatie, een nieuw gezelschap. ' Nu wou het treffen dat heer Hubert Laroche een j paar bedrijven had gezien van het stuk door de «Mariiixvnenden» vertoond, ter gelegenheid der f kermisfeesten, en het spel van heer Bertrijn hs hem uiterst wel bevallen. In dien liefhebber on' dekte de geniale uitbeeldingskunstenaar, met zij streng critisch vermogen, de hoedanigheden va, een beroepsartist. Door zijn toedoen werd heer Bertrijn aan den Cirkusschouwburg verbonden waar hij onder het bestuur van heer H. Verstraete debuteerde als «Markies de Chaverny» in het spektakelstuk «De Bùltenaar», tijdens het speel-jaar 1890-1891. Sedert dit begin van zijne eigenlijke acteurs-loopbaan werden hem zware rollen toevertrouwd. Zoo trad hij onder meer op als «Archibald Cor-sican» in «De Reis om de Wereld», als «Michel Strogoff», in het vermaarde stuk, alsdus getiteld, : en in bijna al de jonge rollen van het toen graag-geziene draksnrepertorium. En toch bleef hij daar niet lang', slechts één jaar. Inderdaad, heer Van Doeselaer had hem in «Michel Strogoff» bewonderd, en voortgaande op den opgedanen indruk, engageerde deze hem bij zijn gezelschap. Dit seizoen werd voor heer Bertrijn eene ware ontgoocheling. Tôt dan toe was hij al te zeer het bedorven kindje geweest van het voormalige bestuur.. Heel wat belangrijke uitbeeldingen had men hem toevertrouwd, de pers had den beginne-ling aangemoedigd, en nog onvermijdelijke zwak-heden door de vingers gezien; het publiek had aan den gloedvollen amoureux eene warme geest-drift betuigd, in een woord, hij was een beetje eenieders heveling geweest. Al spoedig ondervond hij echter, dat nog meer dan met elke kunst ook, voor een acteur die be-dwelmende hoogten van den bijval, dicht aan de trieste laagten der vergetelheid grenzen, en hoe weinig er noodig is, om van de giansrollen in de schaduw te versukkelen. In het nieuwe midden trof hij heeren Jan Dilis, Lemmens en Willem Janssens aan. Allen voor 't zelfde werk als hij geschikt, in hunne voile kracht, waren zij in het rijkste tijdperk hunner acteurslo^nbaan. Ook zr < men lichtrbegrijpcii, dat ^uonianTô' prestaferes vc-~ heer Bertrijn niet talrijk uit den hoek kwamen. Hoe eentonig, droevig gingen de weken niet voorbij! Met vurige gretigheid hunkerde de nieu-weling naar de laatste vertooning van dit tweede speeljaar. Dan zou hij weer vrij wezen, hij zou naar een anderen sehouwburg overgaan, in eene vreemde omgeving: te Gent. Daar zou hij weer onverpoosd kunnen werken en de bewijzen leve-ren van zijn sterk schoonheidvoelend tempera-ment. Niet langer kon hij zich bedwingen, kost wat kost moest hij zich uiten. Hij was sterk be-wast van zijn talent, en leed de wreedste folte-ringen gedurende zijne gedwongene tijdspanne van bijna niets-doen. En dan was er nog eene andere gewaarwording, oneindig zacht en ideaal schoon, die zijn hart vulde. Te Antwerpen had hij het meisje ontmoet, dat hem tijdens zijne jongelingsdroomen zoo vaak, vaag afgeteekend voor den geest zweefde. Na slechts twee korte maanden kennis, was zij heengegaan naar de stad der Artevelden. Mej. Hélène De Dapper woonde daar in den sehouwburg, die toen onder de directie stond van heer Louis Van de Kieboom. Nog voor het seizoen, in September, werd Mej. De Dapper, Mevrouw Louis Bertrijn. Wel is waar kreeg hij hier evenmin groote rollen te vervullen, maar hij was nog te zeer onder den indruk van zijn nieuw geluk, om zich er veel om te bekreunen. Daarbij, kon hij niet uitblinken, dan kreeg hij toch voldoende werk, niet in eene bepaalde richting, maar steeds afwisselend. Nu eens moest hij een ouderling voorstellen, dan weer een jong heertje, karakterrollen wisselden af met verliefde typen. Maar de ernstige, leer-zuehtige artist begreep de groote voordeelen hier-aan verbonden, en meer alzijdig werd zijn uit-beeldingstalent.Ja, mijnheer, al de beginnelingen zouden dergelijke periode moeten doorstaan, zij kan al-leen gôede vruchten afwerpen... Dit seizoen te Gent doorgebracht was een tijd-stip van onverpoosd studeeren. Met het einde van het speeljaar kwam heer Van Doeselaer hem en zijne jonge gade, eene nieuwe verbintenis te Antwerpen voorstellen. Hij teekende, en sedert 1893 bleef hij onafgebroken aan den Koninklijken Nederlandschen Sehouwburg der Scheldestad. Menig-maal werden hem schitterende voorslagen onder-worpen. Zoo kwam een twaalftal jaar geleden heer Adriaan Van der Horst, hem een engagement aanbieden voor de «Tooneelvereeniging» va.i H. Heyermans. Van zijn kant deed heer Alexan-der Faassen een zeer verleidend aanbod om hem bij de Koninklijke Vereeniging van Amsterdam te krijgen. Maar hij was al te zeer aan zijne ge-boortestad geheeht. Hij leefde er, omgeven van g-oede vrienden, aan honderden kleinigheden was hij met hart en ziel verkleefd, en dan was hij sterk bewust van zijn zedelijke verplichtingen te-genover heer Van Doeselaer. Ook, na een slechts kortstondig twijfelen, ging hij niet verder in op dit afreizen naar Noord-Nederland. In 1912 benoemde men heer Louis Bertrijn, sa-men met heer A. Van der Horst, tôt bestuurder van den Koninklijken Nederlandschen sehouwburg. — Dit tweemanschap ging enkel met het uitbreken van den oorlog uiteen. Tijdens de sei-zoenen 1912-13 en 1913-14 werden er heel wat nieuwe Vlaamsche en uitheemsche tooneelstukken van hooge litei-aire waarde ingestudeerd, vertoond en hernomen; en de <lirectie wist het kunstpeil van het repertorium heel wat hooger te houden, dan het tôt dan toe geweest was. Het publiek was nu voor goed verlost van al het tranerig, drakerig gedoe, ja, tôt zelfs de kasstukken, — een ongelukkig ballast, dien geen enkel bestuur van zich kan afsehudden, indien het zijn budjet in evenwicht wil houden -— konden toch nog steeds op niet te versmaden verdiensten aanspraak ma-ken.(Slot volgt.) JAN DE SCHUYTER. Tooneelprijskamp uitgeschtwen door Gust JANSSENS. onder patronaai van het weekblad " HET T00NEEL 1. Er wordt gevraagd een oorspronkelijk Ne-derlandsch tooneelwerk, van één of meer bedrijven: drama, comedie of blijspel. — Het werk mag' nog niet gedrukt, uitgegeven of vertoond zijn. 2. Drie prijzen worden toegekend: Eerste prijs 125 fr. — Tweede prijs 100 fr. — Derde prijs 75 fr. 3. Er wordt geen onderverdeeling gemaakt vooi het aanduiden der prijzen: de drie beste spelen worden bekroond, onaangezien. den aard der werken.4. Bij de beoordeeling der inzendingen van d^ nededingers zal vooral gel et worden op de taa!, len logischen gang der gedachten en in het bij-onder op de speelbaarheid. Er mag daarbij niet ergeten worden dat de werken vooral geschikt n ook door onze goede tooneelmaatschappijen pgevoerd te worden, de voorkeur zullen hebben. 5. Schrijvers van Zuid- en Noord-Nederland mo-en aan den prijskamp deelnemen. Zij moeten inné stukken, vrachtvrij en zeer goed leesbaar, zenden vôôr 15 Augustus 1917, aan den heer ust Janssens, stadsdrukker - uitgever, Kerkstr. >, Antwerpen, met het bijschrift op den omslag: /oor Tooneelprijskamp». 6. De mededingers mogen hun werken onder un waren naam inzenden. Schrijvers die onbe- .vend wenschen mede te dingen, moeten hun werk onderteekenen met een deknaam, en deze vermel-den op een gesloten omslag waarin zij, op een briefje, hun waren naam en adres vermelden. 7. Bekroonde werken worden eig'endom van de firma Gust Janssens, wat het drukken, herdruk- i ken en uitgeven betreft. Deze werken zullen m prachtband uitg-egeven worden en overal in- Zuid-en Noord-Nederland verspreid worden. Ook niet bekroonde, maar verdienstelijke werken, zullen hoogst waarschijnlijk — met toestem-ming van de schrijvers — in druk verschijnen. 8. De keurraad zal voor 1 November uitspraak doen. 9. De uitslag' van den prijskamp en het verslag i van den keurraad zullen in het weekblad «Het 1 Tooneel» vermeld worden. | 10. De niet-bekroonde handschriften mogen, na / de uitspraak van de jury, afgehaald worden... De ! onopgeëischte tooneelwerken worden na 31 De-| cember 1917 vernietigd. ' Voor aile verdere inlichtingen gelieve men zich te wenden tôt de FIRMA GUST JANSSENS, KERKSTRAAT, 13, ANTWERPEN. * * % De keurraad is volgenderwijze samengesteld: IVIM. Uode ffaeKéîmaiïsj terceriaindige; touis ei'trijn bestuurder van den Koninklijken Nccler-ndschen sehouwburg; Gust Janssens, Stadsdruk-er - uitgever ; Dr Maurits Sabbe, letterkundige; ic. Van Ooyen, hoofdredacteur van «H«t Too-?el».N.S. 1. De mededingers mogen hun werken van iden af inzenden. Er moet dus niet gewacht wor-en tôt 15 Augustus. Hoe eer de inzendingen toe-omen, hoe liever; de taak van de jury zal er oor verlicht worden. 2. Wij hebben de beste hoop dat de bekroonde erken zullen opgevoerd worden, tijdens het toe->mende seizoen, op onzen Koninklijken Noder-I landschen Sehouwburg. K ritiek. DRIE PROZABOEKEN. De heer Arents zendt mij onderstaanden brief, die we niet in de scheurmand hebben geworpen om onzen lezers te toonen met welken gedistin-geerden menheer we te doen hebben. Hij durft beweren dat ik zijn werk ter beoordeeling aan den uitgever, heer Gust Janssens, gevraagd heb. Dio bewering is effenaf het tegen-deel van de waarheid. Al de werken die in «Het Tooneel» besproken worden, zijn ons gratis tccge-zonden. Twee exemplaren van het werk van heer Aients bevonden zich tusschen een pak boeken, door heer Gust Janssens mij toegezonden ter be-spreking in «Het Tooneel». Onze talentvolle medewerker en vriend, de i Lode Baekelmans, antwoordt op de nijdige ge-j meenheid van heer Arents. Hij (îrijft de goedheid N. VAN OOYEN. * * * « Antwerpen, den 2Gen Mei 1917. « Den Heer Hoofdredacteur « van «Het Tooneel». « Geachte Heer, « Gebruik makend van mijn recht op antwoord « verzoek ik U mijn weerlegging van de bespre-«king door den heer L(ode) B(aekelmans) over « «In een klein Stadje»-in uw e.k. nummer, op « de eerste bladzijde, gastvrij te willen opnemen. « «Het Tooneel» beweert: c 1. Drie prozawerken.. werden ons ter bespre-« king toegezonden. " «Dit was met «In een klein Stadje» niet het «geval, daar het boek door een redacteur van « «Het Tooneel» aan den heer Gust Janssens werd j « gevraagd. . « 2. Lode Monteyne schreef een lovend woordje. « Deze bewering is o n w a a r . Het zou me gc-! ^ noegen doen in uw e.k. nummer te vernemen, «waarop de heer Lode Baekelmans zijn ver-« moeden steunt, « Nu moaht ik graag nog enkele woordjes aan « de bespreking wijden. « Na een knipsel uit de aanbevelmg aangehaald « te hebben, heet de heer Lode Baekelmans niet «enkel den nieuwen letterbeoefenaar welkom, •— j « maar meent hem zelfs te moeten waarschuwen «voor het uitspinnen en zinnenknutselen.Voor die « uitgesneden aanbeveling en dit oprecht aanmoe-« digend welkomwoord, moet ik zonder verwijlen « den heer Lode Baekelmans mijn hartelijkeîi « dank... en voor de minzame waarschuwing ml'n « dubbelen dank betuigen. Nochtans valt het me « terzelfdertijd moeilijk mijn verbazing te onder-« drukken. In het verslag van den tooneelkundi-:« gen prijskamp, welken de Stad Antwerpen in « 1914 uitschreef en waarvan cle keurraad bestond «uit de heeren R. Verhulst, L. Krinkels, R de « Clercq, Nestor de Tière, M. Sabbe, L. Scheltjens i « en A. Van der Horst, luiden een paar zinnen: I I . • ■ . - ' « «Een eenvoudige liefdesidylle, bevallig en « frisch, loopt doorheen de avonturen van norma-« listen te Lier... De taal is verzorgd, natuurlijk, « zuiver.» «Waar schuilt nu de waarheid? In het zinnen-« geknutsel of... in de verzorging, de natuurlijk-« heid, de zuiverheid ? «Het artikeltje wordt besloten door : — Wan-« neer de schrijver zal geleerd hebben zich te «beperken.... « Den schrijver dezer weloverdachte woorden « kan ik, voor wat de beperking aangaat, voor-« loopig geruststellen. «In een klein Stadje» is « vier jaar oud. Inmiddels, vooral in de laatste « maanden heb ik met den kostbaren novellen-« schat Menschen en Het gevoelig (?) leven ken-« nis gemaakt. Wanneer men deze teer-humoris-« tische, luchtig-ontsponnen schetsen leest, op-« nieuw leest en van aile zijden met schuchtere « vereering, week in, week uit bestudeert als voor-« beelden van prachtige, nooit in Vlaanderen over- « troffen ZELFIiEHEERSCHING, welnu dan « voelt men eerst, dat de heer Lode Baekelmans « in «Het Toor.eel» «de rechte lijn», door ieder « jong letterbeoefenaar te volgen, aangeduid « heeft. « Met beleefde groeten. « PROSPER ARENTS. » * * * M. _ Monteyne heeft mij persoonlijk bevestigt dat hij de aanbeveling niet schreef voor het boek van heer Arents. Dat ik bezwaien had tegen «Het klein Stadje» mij in handschrift ter lezing aangeboden, wist heer Arents reeds toen hij mij in 1914 «Het Ba-tisten Zakdoekje» opdroeg. Nu heeft de vereering plaats gemaakt voor.... minder waardeering. Ja, zoo gaat het in het leven! Het heeft geen belang. Mijn opinies over het werk van schrijvers hangen nooit af van schom-melende sympathies. Een openhartig woord ver-bergt geen venijn. Mijn meening heeft evenveel recht onder de zon aïs de gunstiger uitspraak van de tooneeljury. Een criticus heeft immers zelfs het recht zich te vergissen ? Het is intusschen heer Arents, die debuteert, niet euvel te duiden dat hij van de critiek maai; enkel lof waardeeren kan. Mettertijd zal hij nog' wel leeren dat wie aan de straat werkt waardeering en afkeuring even kalmpjes moet opnemen. Over mijn werk ongunstig oordeelen is intusschen het recht van iedereen en ook van heer Arents. Ik ben niet erg lcitteloorig. Hij zal wel inzien dat ik zoo goed zijn behoef-te begrijp om de menschen de bousculeeren... Ik deed dat ook wel toen ik jonger was en dit wel-licht even... aardig. Enkel heb ik nog nooit iemand aangerand om-d?t hij mpt mijn werk niet dweepte. Dat had hij. ook niet moeten doen, dat getuigt van slechten smaak en het stelt de lâchers aan de zijde der tegenpartij. Het is mij nu echter niet te doen om liiervan te profiteeren, en zijn ontstemming zal mij niet eens balettcn later werk van den heer Arents te waardeeren. Verder kan ik mij in deze belangrijke zaak niet verdiepen. Zonder wrevel neem ik dus afscheid. LODE BAEKELMANS. * * * Andcrzijds ontvangen wij volgend schrijven : «Aan de Redactie van «Het Tooneel», « Geachte Heeren, « In uw nummer van 27 Mei, wordt beweei d, dat « ik een lovend woordje zou geschreven hebben « om het boek van den heer Arents: «In een klein « Stadje» aan te bevelen. « Ik houd eraan dit b e s 1 i s t te ontkennan en « verzoek U een terechtwijzing in uw e.k. nummer «te doen verschijnen, op dezelfde plaats van de « hooger bedoelde bespreking. « Met achting. « LODE MONTEYNE. «Antwerpen, 2(> Mei 1917. « Dambruggestraat, 53. » i S «-y «• qr o j . j y Lim Lieveling Drama in één bedrijf, vrij naar het fransch «La Gervaise», van Kdm. Duesbtrg, door Gust Janssens. —• Uitgave van Gust Janssens, te Antwerpen 1917. Die eenakter is van een dramatische, schokken-de pakkende emotie. Er is iets in van het oudere, romantiekerige repertorium dat den toeschouwer boeit, aangrijpt en het slot met klimmende en angstige spanneng te gemoet doet zien. De ka-rakters zijn niet uitgebeeld, niet grondig geana-lyseerd zooals in de meesterwerken der dramatui-gie, maar zij handelen als echte gevoelsmenschen, vol passie en voortvarendheid. Maar laat ons eerst den korten innoud geven: Gondrin 50 en zijn vrouw 48 jaar oud, die een ziekelijke dochter hebben van 18 jaar, Toinette, zijn in de miserie en zullen op straat gezet worden, daar zij hunne pacht niet kunnen betalen... Gondrin drinkt en zijn vrouw spreekt ook de flesch veel aan. De vooravond van hun vertrek breekt er een geweldig orkaan los. Een meisje Denise, komt bmnen gevlucht om te ontsnappen aan een schelm die haar op de hielen zit. Zij heeft twee aandeelen geërfd van haar peter die zij te Mezières heeft gaan omzetten. Het geld heeft zij in een zakje bij zich. Denise en Toinette gaan in de nevenkamer, de eerste om haar kleeren bij het vuur te droogen. Gondrin en Gervaise besluiten het geld te roo-ven en de kleine te vermoorden.Denise zal in het bed van Toinette overnachten en deze laatste in de schuur. Nauwelijks ter îuste, komt Toinette bij Denise terug om met haar nog wat te spreken. Paar laat Gondrin, intusschen dronken gemaakt door Gervaise, zijne stem hooren. De kinderen zijn ver-schrikt. Denise dwingt Toinette in het bed te gaan daar zij toch maar zwakjes is; zij zelve zal in de schuur wel uitrusten. Daar komen Gondrin en Gervaise op. Deze laatste moedigt haar man aan de moord onmiddellijk te voltrekken. Gondrin gaat naar het bed, werpt een handdoek op Toinette en wurgt haar. Denise opgeschrikt door een schreeuw van Gondrin is op het tooneel verschenen en is ooggetuige van den moord. Gervaise en Gondrin zullen de plaats gaan zien waar zij hun slachtoffer zullen begraven. Denise is als ontzet en kan met moeite van de plaats weg. Eindelijk toch vlucht zij langs de schuur-

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks Het tooneel behorende tot de categorie Culturele bladen. Uitgegeven in Antwerpen van 1915 tot 1940.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie

Locatie

Onderwerpen

Periodes