Hooger leven: algemeen weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen

251024 0
14 februari 1914
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1914, 14 Februari. Hooger leven: algemeen weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen. Geraadpleegd op 16 oktober 2019, op https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/nl/pid/r49g44k277/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

> Algemeen Weekblad voor Ontwikkelde Katholieke Vlamingen INSCHRIJVINGSPRIJS België : 5 fr. 's jaars Nederland : 3 grulden Andere landen : 7 frank Men schrijft in bij het Beheer of op de postkantoren. Losse nummers md 10 centiemen. JH AANKONDIGINGEN : o.25 fr. per drukregel Volledig tarie! op aanvraag. Briefwisselaars gelieven telkens hun volledig adres op te geven. irmucruu nDTTvirDTT Aile bijdragen, waarvan de inzender zich aan de Redactie Beheer en Opstelraad : Minderbroedersstraat, 44, Leuven. D ™ md vl^amsche drukkerij v-jj vi j Bôstuurder Hugo Bomans, Minderbroedersstraat, 44. Leuven. met volkomen bekend maakt, worden onverbiddelijk geweigerd. w 1 1 i Vlaamsch in Strafzaken. MISBRUIK EN WAPEN. Met recht en reden wordt er over geklaagd dat de wet op het Vlaamsch in Bestuurszaken van 22 Mei 1878, niet ver genoeg reikt en dat a te veel uitzonderingen daarop gemaakt worden Een der belangrijkste is, dat die wet de be stuurszaken regelt en dus op het Rechtswezer niet toepasselijk is. Om die stelling te rechtvaar digen steunt men allereerst op een dogma var onze grondwet : de onafhankelijkheid der be stuurlijke en rechterlijke machten. De bewering kan vasten grond hebben — 'k wil hier noch de letter, noch den geest van die wet onderzoeken — maar in aile geval gaan de meeste parketten er op voort, om aile betrekkin-gen en briefwisselingen met, en onderrichtingen aan de gemeenteoverheden in 't Fransch te doen geschieden. Zulke handelwijze gaat regelrecht in tegen de uitdrukkelijkste bevelen van den minis-ter van Rechtswezen. * fc * Mijn ambt brengt er mij dikwijls toe, de aan-schrijvingen van den Minister van Rechtswezen te onderzoeken. Zoo doorbladerde ik het onlangs verschenen boek : « Circulaires, Instructions et autres Actes émanés du Ministère de la Justice. 3esérie, année içi2 » verschenen in de drukkerij van het Belgische Staatsblad (Dit « Bulletin enz... » ver-schijnt natuurlijk enkel in 't Fransch, alwie het eenigszins noodig heeft, moet eerst maar die taal leeren, daarvoor zijn wij in een tweetalig land !) Daarin slaat op bl. 207 een brief van den Minister van Rechtswezen, Carton de Wiart, gedagteekend 10 Juni 1912. Hij beveelt « aan de « parketten, hun onderrichtingen aan de gemeen-« teoverheden van het Vlaamsche land, inzon-« derheid aan de ambtenaars van den burgerlijken « stand, in de Vlaamsche taal op te maken ». En verder : « Deze regel is door den aard der zaken zelf voorgeschreven... » en het besluit klinkt kortaf «dat voortaan deze omzendbrief stipt moet nageleefd worden ». Is het duidelijk en hoeft er nog verder betoog ! Dit schrijven was echter maar een herinnering aan den omzendbrief van 5 Oogst 1895. 't Is deze laatste brief, onderteekend door Minster Begerem, die inderdaad een buitengewoon belang oplevert. Hij verscheen in dezelfde reeks « Cir culaires, enz... Année i8ç5 » op bl. 172. Een klein gedeelte van dezen omzendbrie staat in Dosfels uitstekend werk over onze taal wetten ; maar — hoe het kwam weet ik niet — > het overige ervan wordt er uit weg gelaten. > De brief is geschreven ter gelegenheid van de ' vele klachten van ambtenaars uit het Vlaamsche land. Zij gaven aanleiding tôt het uitvaardiger van een algemeene onderrichting over het ge bruik van het Vlaamsch bij het samenstellen var bundels en aile briefwisseling daarover, of inlich-tingen die er moeten bijgevoegd worden. Mer leere daaruit dat, bij de hoogere overheid protesl aanteekenen, wel tôt iets dient. Het eerste deel beoogt de algemeene onderrichtingen die naar de gemeentelijke overheden in het Vlaamsche land en het meest de ambtenaars van den Burgerlijken stand, gestuurd worden. Het tweede gaat over het belang van de verdediging der betichten.. Ik vertaal letterlijk en zoo nauwkeurig moge lijk. « Vlaamsche Taal. Gebrvik ervan in Strafzaken « in het Vlaamsche land. « 3e Algm. Best1' ie afd. Litt. L. n* 962. Brus-« sel 5 Oogst 1895 ». « Aan de H. H. Procureurs generaal bij de « Beroepshoven ». « Vele gemeentelijke ambtenaars in het Vlaam-« sche land, bijzonderlijk ambtenaars van den « Burgerlijken stand, klagen erover dat de alge-« meene onderrichtingen die hun door sommige « parketten gezonden worden, uitsluitend in het « Fransch opgesteld zijn ». « De klachten tegen dit gebruik zijn ten uiter-« ste gewettigd ». « Het gebruik in zake van de Vlaamsche taal « is niet opgelegd, wel is waar, door eene wette-« lijke bepaling ; maar het wordt vereischt door « den stand der zaken zelf, door den geest van « onze wetten en door het belang van een goede « werking van het gerecht ». « 't Is niet te begrijpen dat de parketten, bij « het opstellen van onderrichtingen die als leid-« draad moeten dienen voor de ambtenaars aan « hun toezicht onderworpen, liefst een taal ge-« bruiken welke die ambtenaars niet kennen of « mogelijk niet kennen, en waar zij in aile geval « minder vertrouwd mede zijn dan met de moe-« dertaal. De parketten moeten dus het gebruik « van het Vlaamsch verkiezen, zelfs buiten aile » wettelijke bepaling, als een rechtmatige regel, u 'even nuttig voor't belang van den openbaren « dienst als voor het recht van de bevolking ». f « Het staat overigens de parketten vrij, de «-onderrichtingen in beide talen opte stellen, « wanneer zij denken dat het gebruik van het « Fransch voordeelig kan zijn ». ; « De belangen van de verdediging samen met ! « bovenstaande beschouwingen moeten de par-1 « ketten verhinderen den weg in te slaan om het « gebruik van het Vlaamsch in Strafzaken te « beperken tôt de enkeje akten, die krachtens een « uitdrukkelijke wetsbepaling in het Vlaamsch « moeten opgesteld zijn ». « Inderdaad er zijn verschillige akten en stuk-« ken van de rechtspleging die volgens de wet « van 3 Mei 1889 niet uitdrukkelijk in het « Vlaamsch moeten zijn en waarbij de betichte « nochtans belang heeft ze te verstaan. Aldus « zouden de inlichtingsstaten die bij de bundels « gevoegd zijn, maar enkel in het Fransch mogen « opgesteld zijn, wanneer de rechtspleging regel-« matig in de taal geschiedt. Aldus nog de brie-« ven die de parketten, in den loop der rechts-« vordering, naar de Burgemeesters en aan « andere officiel en of agenten der rechterlijke « politie in de Vlaamsche gemeenten sturen ». « En, indien het artikel 7 § 2 van de wet van « 3 Mei 1889, die de bewoordingen herneemt van « artikel 5 § 2 van de wet van 17 Oogst 1873, het « gebruik van de Fransche taal vrij laat in de « betrekkingen van magistraat tôt magistraat, c; door de rechtsvordering vereischt, toch behoort « het, dat de magistraten in het genieten van die « vrijheid, zouden rekening houden met de « hoofdbeginselen die de grondslag zijn van onze « wetten op het gebruik der talen. Dit was « <,verigens de gedachte die uitgedrukt werd bij « Yï-t bespreken "an art. 5 van de wet van « 17 Oogst 1873 ». « In verschillende arrondissementen wordt het « opsluitingsbevel, om de veroordeelden te ver-« zoeken zich vrijwillig te komen aangeven, « doorgaans in het Fransch opgesteld. Dit zou « alleenlijk mogen gebeuren, wanneer het vonnis « in die taal uitgesproken werd ». « De gewone handelwijze van de verschillende « parketten in het Vlaamsche land komt overeen « met de voorschriften die ik zooeven aanwees « en dit bewijst dat zij tôt geen moeilijkheid « kunnen aanleiding geven, terwijl zij de waar-« borg zijn van hoogst eerbiedwaardige be-« langen ». « Het behoort dat die handelwijze gevolgd « worde door de parketten van al de rechtsge-« bieden, die onderworpen zijn aan de bepalingen « van de wet van 3 Mei 1889, aangevuld door « die van 4 September 1891 ». « Ik verzoek UEd., Heer Procureur Generaal, « in dezen zin onderrichtingen te willen geven « aan de parketten van uw gebied wien het aan-« belangt, en aan de uitvoering ervan de hand te « houden ». « De Minister van Rechtswezen » (get.) « V. Begerem ». * * * Ik achtte het onnoodig, sommige deelen van dezen brief te onderlijnen. Het gewicht van vele bewijsgronden die er in voorkomen moet ik niet doen uitschijnen, maar ik hield eraan dezen omzendbrief letterlijk over te schrijven, eerst en vooral om het groot belang dat hij oplevert, en tevens om aan elkeen van die <: vele gemeentelijke ambtenaars in het Vlaamsche land, inzon-derheid de ambtenaars van den Burgerlijken Stand » cen bewijsstuk in handen te geven, waarop zij volkomen mogen steunen en waar zij zich desnoods met voile betrouwen mogen op beroepen. Protest aanteekenen dient wel tôt iets, men ziet het genoeg aan dit klaar en onbewimpeld minis-terieël schrijven ! Laat mij den omzendbrief bondig samenvatten om duidelijk vast te stellen waartoe de parketten in het Vlaamsche gehouden zijn. De algemeene onderrichtingen van het parket aan de Vlaamsche Gemeenteoverheden moeten in 't V'aamsch opgesteld zijn. Oordeelt de Procureur des Konings het nuttig, dan mag't Fransch erbij komen, maar alleen als tweede, als onder-geschikte taal . Waar geschiedt dit ? De Procureurs en Substituten houden toezicht over de registers van den burgerlijken stand en moeten ieder jaar, naar elke gemeente daarover hun verslag zenden. Waar geschiedt dit in het Vlaamsche ? In 't belang van de verdediging der betichten (en dit belang is heilig ! weldra volgt een voor-beeld) moeten de parketten het gebruik van het Vlaamsch in strafzaken verder uitbreiden dan tôt de enkele akten die krachtens de wet in het Vlaamsch moeten opgemaakt zijn. Dat wil zeggen, dat gansch het bundel tôt de omslag toe met al wat eenigszins den betichte kan aanbelangen en nog wel het meest van al de verschillende ver-slagen van deskundigen, verslagen van de toe- Redevoering van Prof. Dr G. Verriest op den Studentenlanddag te Antwerpen, den 8ste Februari 1914. Dames en Heeren, Vlaamsche Jonglingschap, Deze dag moest een dag zijn van reine vreugd, maar een schof donkere wolken heeft onver-wachts onzen hemel betrokken. Waarover nu spreken 't en zij over 't geen zoo zwaar op ons hert weegt ? 't Is twee jaar geleden dat ik, te Leuven, voor het derde Groot Nederlandsch Studentenkongres, als slot van mijn openingsrede zei : «Zoo is de Nieuwe Dag geboren ! De rechten van ons Volk zijn op gang en geene hinderpalen zullen den •drang en den dwang van de Vlaamsche Kruis-■vaart weêrstaan ». Dit gold de Vlaamsche Hoogeschool. Nu staan wij eerst voor het wetsontwerp der lagere scholen. Wij wilden er een paar woorden inlasschen om, op Vlaamsch gebied, de Vlaamsche taal te beschermen tegen den al te vroegen aanval van een vreemde taal en zie ! tegen dit zoo natuurlijk en billijk voorstel verzette zich de Regeering en, op een tiental staingetrouwe man-nen na, al de kamerleden die het Vlaamsche Land naar Brussel zond om het te vertegen-woordigen in 't parlement. Verstaat ge nu dit lang woord :Volks-ver-tegen-woordiger ? Willen die menschen de Vlaamsche taal in den grond booren door het ontijdig optreden van 't fransch ? Willen zij het verstand van het kind gebrekkig opbouwen door die taalverwarring en het verstompend onderwijs dat er uit volgt ? Willen zij den Vlaamschen arbeider tôt een donkeren duisteren graad van intellectueele ont-wikkeling doen zinken en hem zijn levenlang doemen tôt het grof werk van zijn spieren en pezen, nevens peerden en honden en ossen en ezels ? Onze ministers en de mannen die begeerd en aanveerd en beloofd hebben de belangen van het Vlaamsch Volk in de Kamers te verdedigen, zullen zij, wetens en willens en met klaar besef, die misdaad, dit schelmstuk begaan en die zonde op hun geweteti laden ? Ach neen ! De Minister, bevelhebber van 't schoolbeheer, is de braafste mensch van de we-reld ; hij zou geen vlieg kwaad doen. En toch, hij staat op 't punt een heel volk — zijn volk — zwaar onrecht te doen. De andere Vlaamsche Ministers zijn 00k brave menschen ; geen een van de vier en zou zijn even-naaste een cent schade berokken. En toch ! zij helpen beletten dat de Vlaamsche arbeider tôt zijn rechtmatige ontwikkeling kome en dat hij een redelijken dagloon voor een redelijk dagwerk winne. Ook onze Vlaamsche Kamerleden zijn meestal brave menschen ; zij zouden, gelijk een eerlijke mulder, geen halve schup meel meer als hun toekomt, uit den zalc scheppen. En toch ! zij verhinderen den werkman, die uit het schoolkind opwast, zijnen man te staan in den harden strijd voor het leven en nemen hem aldus het brood uit zijn mond. Aile, aile brave menschen ! Maar, wordt de schoolwet in tweede lezing gestemd gelijk in de eerste, zoo gaat weerom de vlaamsche arbeider, tegenover den waalschen arbeider, een noodlottige schrede achteruit. De denkbeelden en gevoelens zijn met de taal der kindsheid onvergelijkelijk enger verbonden dan met hetzij welke bijgeplakte taal, weze 't nu ook fransch. Wie een kind zijn moedertaal ver-minkt, verminkt zijn werkgerief, zijn aanleg tôt verdere ontwikkeling, en later zijn strijdkracht onder Gods blauwen hemel. Weten onze volksvertegenwoordigers dat niet ? Hooren en zien zij het niet ? Neen ! zij staan als blinden v.oor een spiegel en pogen niet eens de waarheid te zoeken en te vin-den. Geheel de zoogezeide Vlaamsche Beweging, zoo wettig, zoo echt en recht uit den stam ge-sproten, is voor hen niets dan onbezonnen, ja baatzuchtige dweperij en overdrijving, exagérations flamingantes, révendications outrées et déraisonnables, en met zulke ijdele woorden is hun oordeel geklonken. In de jaren '5o heb ik zeven jaar doorgebracht in 't bisschoppelijk kollegie te Rousselaere. Daar was 't al Fransch, slecht Fransch, maar toch Fransch. Nooit mocht er een arm Vlaamsch woordeke aan de ooren van de opzieners komen. Ja. in mijn geboortedorp Deerlijk, in de kost-school van den gemoedelijken Vlaamschen fabel-dichter Renier, heb ik van mijn achtste jaar af fransch moeten spreken en evenzco mijn broe-der, pastor Hugo Verriest. Meent ge dat wij dit verkeerd achtten ? De vraag is ons nooit, noch evenmin onze leermeesters, te binnen gekomen. In 't jaar '60 kwam ik naar Leuven. Hier ook was ailes Fransch. Het is mij, noch mijn kame-raden, Karel de Gheldere, Eugeen van Oye en andere, nooit ingevallen daarover eens na te denken. Studeeren en Fransch gingen uiteraard samen. Had het Ons Heer niet alzoo ingericht van aile eeuwigheid ? Veel, veel later zijn wij bewust geworden dat men ook doceeren en studeeren kan in 't Vlaamsch, of — om alleman tevreden te stellen — in 't Nederlandsch. Mij dunkt dat onze Vlaamsche ministers en vertegenwoordigers nog in denzelfden toestand verkeeren als wij destijds, toestand dien zij in hunne schooljaren ook doorleefd hebben. Immers in het huidige taalkonflikt waar het lot en de toekomst van hun eigen volk op 't spel staat, hooren en zien ze waarachtig niets en loopen zij rond gelijk slaapwandelaars, die niets weten van wat er rondom hen leeft en roert, en enkel de oude droomen nagaan die van uit het verleden in hunne hersenen spelen. Maar de tijd komt dat ze wakker moeten schie-ten uit hunnen slaap en bewust worden van hun plichten tegenover Vlaanderen. Zullen wij daar nog lang moeten op wachten ? Wellicht zoo lang wij ze bij de keel niet vatten. Maar me dunkt dat de geweldige twisten in de Kamers, om en rond deze allereenvoudigste vordering der Vlamingen, de dappere vastberàden-heid onzer voormannen en de diepe ontroering in gansch Vlaanderland, vele droomers zullen wakker schudden en doen zien wat ze nog nooit gezien hebben : het onaantastbaar recht van hun volk, en misschien zal tevens een straalke liefde voor dit volk den weg van hun hert vinden. Moest het anders zijn en bleven de Vlaamsche Katholieke Kamerleden volherden in hunne dwaling, dan zal Vlaanderen xtaar andere midde-len moeten uitzien. Maar nooit, nooit, jamais, zal het rusten eer het zijn recht zal veraverd hebben. Gij, leger van onze jongelingschap, vol levens-drang, vol liefde voor uw land, vol borrelende geestdrift, staat er borg voor ! Gelijk recht moet de twee Belgische stammen, Vlamen en Walen, wedervaren. De Vlaming mag geen ondergeschikte zijn. Nemen de Walen dit aan, in ernst en trouwe, dan zullen wij hand in hand slaan, tôt vrede, voorspoed en -welzijn van beiden. Schenke God de Vlamingen eendrachl; en liefde om elkander hulp te bieden in den zwaren strijd tegen den zuidschen erfelijken vijand van onzen stam en onze zeden. ' Eén wachtwoord gelde : Vlaanderen redden ! Negende Jaargang. Zatcrdag 14 Februari 1914. Nummer 7

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks Hooger leven: algemeen weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen behorende tot de categorie Katholieke pers. Uitgegeven in Leuven van 1906 tot 1914.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie