Een staatsgreep in Loppem? Politieke en sociale veranderingen in België na de Eerste Wereldoorlog

Een staatsgreep in Loppem? Politieke en sociale veranderingen in België na de Eerste Wereldoorlog

Redactie 's profielfoto
Redactie 16 juli 2019 0
Op 11 november 1918 eindigt de Eerste Wereldoorlog met een wapenstilstand. De wereld staat in brand, België staat in brand. Vier lange oorlogsjaren hebben landschap en maatschappij in puin achtergelaten. Het volk smacht naar veranderingen. Al tijdens de oorlog denken politici na over mogelijke oplossingen om aan deze vraag tegemoet te komen.
 
Albert I, de Koning-Soldaat, is tijdens de oorlog de steun van de natie. Als geen ander beseft hij welke beproevingen soldaten, vluchtelingen en inwoners van het bezette gebied hebben doorstaan. Bovendien heerst er een angst bij de politieke klasse voor een revolutionaire golf vanuit Rusland en Duitsland. Meteen na de oorlog ontbiedt Albert I tal van politici in Loppem om aan de Belgische toekomst te werken. Opvallend is dat het voornamelijk om Belgische politici gaat die tijdens de oorlog in het bezette gebied actief waren. Er worden nauwelijks politici uit de regering in ballingschap gevraagd. Zij zouden, zoals men aannam, het gevoel met de finesses van de Belgische politiek kwijt zijn. Uit de akkoorden van Loppem komt de nieuwe Belgische regering onder leiding van de katholiek Léon Delacroix voort. Deze regering van ‘nationale eenheid’ bestaat uit katholieken, liberalen en socialisten en heeft als taak het machtsvacuüm dat de Duitsers achterlieten, op te vullen. 
 
Op 22 november 1918 geeft Albert I zijn troonrede voor de verenigde Belgische kamers. Hij geeft zijn zegen aan de nieuwbakken tripartite en roept hij op tot meer gelijkheid. Concreet betekent dit dat er nieuwe kies-, taal- en sociale wetgeving moet komen. Op 16 november 1919 vinden de eerste verkiezingen met een algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen ouder dan 21 jaar plaats. Deze (ongrondwettelijke) verkiezingen zijn een succes voor de socialistische partij, die de 2de grootste partij van België wordt en hiermee het monopolie van de katholieke partij doorbreekt. Het betekent ook het begin van het tijdperk van coalities. Tot op heden haalde geen enkele partij nog de absolute meerderheid, waardoor men altijd met andere partijen in zee moet gaan. 
 
Bij de verkiezingen van 1919 wordt ook de Vlaamsgezinde Frontpartij uit het niets, op een grote afstand van de eerste drie partijen, de vierde partij van het land. Een deel van de Vlaamse Beweging had tijdens de Eerste Wereldoorlog gecollaboreerd, maar de ongelijke taalbehandeling zorgde ook na de oorlog voor een plaats voor de Vlaamse Beweging in de Belgische politiek. De taalwetgeving zorgde dat het Nederlands en Frans als gelijkwaardige bestuurstalen werden beschouwd. Een andere concrete maatregel was het vernederlandsen van de Gentse universiteit. Tot slot waren er ook toegevingen aan de arbeiders. Van alle bevolkingsgroepen hadden zij tijdens de oorlog het zwaarst geleden. Hun sociale positie binnen de Belgische staat was relatief zwak en politici vreesden voor een opstand. Het algemeen stemrecht bood een oplossing, maar ook sociale hervormingen zoals de syndicale gelijkheid, de achturenwerkdag en het stakingsrecht vloeiden hieruit voort.
 
Doordat de akkoorden van Loppem reformistisch van aard waren, werden ze door sommige conservatieve tegenstanders als de ‘staatsgreep’ of ‘revolutie’ van Loppem genoemd. De nieuwe wetgeving zette hoe dan ook de krijtlijnen uit voor het naoorlogs België.
 
Deze blogpost werd geschreven door Joshua Dias tijdens zijn stage in kader van zijn masteropleiding Publieksgeschiedenis aan de UGent.