Het Vlaamsche nieuws

737805 0
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1915, 14 April. Het Vlaamsche nieuws. Geraadpleegd op 06 juni 2020, op https://nieuwsvandegrooteoorlog.hetarchief.be/nl/pid/st7dr2r05w/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Woensdag 14 Àpril 1915. Eerste Jaarg. Nr 90 Prijs : 5 Centiemen door gcheel België J» «jL JGLi nJLn Vlaamsche Nieuws Het best ingelicht eo^meest verspreid Nieuwsblad van België. - Verschijnt 7 maal per week ÀBONNEMENTSPRUZEN : Per weafc I.SS I Per 9 maandee ., .. 4.— far mm and (.M | Per 6 maanden «.M Per jaar ...... )4 — IBESTUUR Hoofdopstelier : Allons BÀEYENS Beiteerder : Ant. VAN QPSTRAET BUREELEN: Roodesiraat, 44, ANTWERPEN Telefoon 1990 AANKONDIGINGEN i Tweede blad*.t pot regel 2 8® I Vierdc bladz., p«r ".«gel ISf Derde bladz., ii. I — J ot voîgen* overeenkocut. Doodabericht 6.— Oorlogs- en Soldatenliederen 0m zich een juist denkbeeld te vor-inen van de ware gevoelens, die de inenschen hier te lande bezielden bij de menigvuldige oorlogen, die in vroegere «uwen bijna onafgebroken iiun rust en «aligheid kwamen storen, is de lezing la oude volksliederen wel het best ge-schikt.Kronijken en geschiedenisboeken vertellen veel over de gevechten, belegerin-I gen en plunderingen, over de politieke en andere drijfveeren en oorzaken der oorlogen, vooral weiden ze breedvoerig uit over de werkelijke of ingebeelde ver-diensten der vorsten en grooten, die aan den strijd deelnamen, maar de gemoeds-toestand/het innerlijke leven van dege-I nen, die het meest van den oorlog te ' lijden hadden, de soldaten en het volk zelf, wordt het trouwst en het keurigst weergegeven in de volksliederen. Deze gezangen, die, vroeger veel meer dan heden, bij elke gebeurtenis van eenige beteekenis hun vlucht namen, — ja, wie weet waar? — en overal aangeleerd en àerhaald werden, dragen in zich de in-nigste aandoeningen, al de smart en ook al de vroolijkheid, die de menschen-harten in die tijden van beroering ver-vulden.Het tragische van een toestand wordt door één volksliedje met zijn soins na-ieve maar altijd rake taal, veel treffender geschilderd dan vele besehouwingen met vertoon van allerlei geleerdheid. Die iiedjes komen uit het hart en gaan dan ook onmiddellijk naar het hart. Al de smart, die den Antwerpenaar uit de tweede helft der 16de eeuw neer-drukte, bij het zien van den ondergang van zijn haven- en handelsbedrijvigheid tengevolge der godsdienstoorlogen,treurt en jammer in den aanhef van het Cloegh-liedt : Antwerpen arm, O desolate stede, Met swaer gekarm Vergaet nu uwen vrede, IUw hoogen moet Die leyt nu heel in d'assche.. De Antwerpsehe burger van toen was cven fier als die van heden op zijn stad. «Antwerpen plavsant , Europars tempel pan nering triumphant», zong hij vol [ trots. Maar na de Spaansche Furie klonk weer de bittere klacht : Hoe zijt ghy gevallen. O koninklijke stad, Uw neringen die smallen (vergaan) Uw huysen liggen plat. In dergelijke liederen ligt het gevoel ; van de heele stadsgemeenschap, maar ook het lijden van den afzonderlijken nensch wordt even aangrijpend geschilderd in de volkspoëzie. Kan de wee- Imoed, die 't hart van den eenzamen sol-daat ver van huis en van de geliefde overweldigt, eenvoudiger maar tevens roerender uitgedrukt worden dan in dit andere liedje, uit veel lateren tijd? Moet ik nog lang op schildwacht staan Met mijn herte vol van rouwe, Altijd gereed om weg te gaan, Schier versteven van de kouwe. Met 't herte vol van zuchten. En doorsteken mijn gemoed ? Het minute doet mij zuchten, 0® mijn allerliefste zoet. Ik weet dat zij langt naar mijn wederkotnste, En zij zal worden als desperaat, 4b zij zal hooren dat ik ben soldaat, Is het niet alsof wij een onzer jon-i Sens zoo hooren, ergens in de Vlaamsche duinen? Een veel dieper droefheid ligt nog in ■:c't lied De Korporaal, dat uit den Ûostenrijkschen tijd dagteekent. Een ûuitsch soldaat ligt in Vlaanderen te | sterven en heeft voor zijn heengaan nog e® gesprek met de dood. Hij smeekt nog wat in leven te mogen blijven, ®aar de dood is onverbiddelijk. Dan ficht de soldaat zich tôt den geneesheer : Sa, doktor, kom gezwind, Doe mij een ader open, Ser mij de dood verslindt. Misschien is er nog hope Dat ik mijn leven hou, Kom toch, en help mij gauw. De doktor is machteloos en « de krijgs-stout, een meester der soldaten », "oet sterven. Het lied eindigt met het naïeve graf-schrift : Hier ligt een korporaal, Oud twee-en-twintig jaren, Ben meester van den praal, Zeer in 't muzifek ervaren, Geboren uit Hessenland, Hier ligt een muzikant. , hi de bloem van 't leven, flink van -haam, « een meester van den praal », ® het hart verslingerd op kunst ! Op , H-Veel graven zouden wij thans een rgelijk opschrift moeten plaatsen ! \ is niet altijd de treurige toon, die kl v oor'°8s- e*1 soldatenliedjes weer-mkt.De gezonde luchthartigheid waar-i<w vo'^ gewoonlijk zijn leed draagt •tait ook ki-er d<® bovenhaad Het ajp»' tal vroolijke soldatenliederen is overwe-gend.In de 14de, 15de en de eerste helft van de 16de eeuw, vinden wij de zoogenaam-de ruitersliederen, waarin het lustige, onbezorgde en vaak liederlijke leven der huurlingentroepen, die hier voortdurend rondzwierven en vochten, levendig en trouw geschilderd wordt. Die lands-knechten wisten hoe licht een einde kon gemaajct worden aan hun leven en zoo leverden ze zich teugelloos aan de vreug-de van Wijntje en Trijntje over. En bij de zoogezegd zwakke kunne overrompel-den die ruiters vele harten. De oude Romeinen zegden reeds, spre-kende van het zwak der vrouwen voor soldaten : « Ferum est quod amant. Het is het ijzer dat ze beminnen. » De meis-jes der 14de, 15de en 16de eeuwen wa-ren dus niet veranderd. Liever dan in een spiegel, zagen ze den weerschijn van hun klare oogen in den glans van helm of pantser. Of de vrouwen nu veranderd zijn?... Eenige staaltjes uit de 15de eeuw : Drie ruiters komen in een wijnhuis. De waardin wil de havelooze gasten niet borgen, maar het dienstmeisje komt hun ter hulp : Tappet den ruyters den wyn Al dat si verteren, ja teren, Daer sal ic u borge voor zijn. Een meisje wil met een ruiter meê. Haar moeder verzet er zich tegen. Dan helpt het kind zich zelf. Si wilde den lantsknecht hebben. Dat maeghdelyn spranck ter veynster uyt, Een man ontdekt, dat zijn dochtei met de soldaten weggetrokken is. Hij gaat haar opzoeken en wil haar naar huis doen keeren, maar dat baat niet, Och vader, seide si, vader, Daer ben ick wel in gherust, Hem te volghen met zijn soldaten Dat isser mijn hoocliste last. Dergelijke soldatenvriendinnen, di< den oorlog meemaakten, waren ailes be-halve zeldzaatn in die tijden, en ze be-hoorden niet aile noodzakelijk tôt de « meydekens van der gilde », zooals mer licht denken zou. Het gebeurde wel dat ook fatsoenlijke meisjes zich lieten ver leiden om het leger te volgen. Zoo gebeurde het, dat een dier solda-tengezellinnen in het kamp met gewelc <( van haar eere beroofd werd ». Ze bc-klaagde zich daarover bij den kapitein, Deze besloot den schuldige te straffen. Het meisje moest hem aanwijzen. De kapitein u liet de trommel slaen en de trompetten blasen » en de soldaten «qua-men drie aan drie marcheeren ». Hel meisje herkende den vaandrig als den misdadiger. Hij wordt tôt de galg ver-oordeeld. Hij klaagt niet, verzet zich niet, maar wenscht alleen dat zijn ka-meraden niet zouden vertellen, dat hij een smadelijken dood stierf. Seg niet, dat ick gehangen ben, Maer dat ick ben ghebleven voor Ostend. In een liedje uit het einde der 18de eeuw wordt nog van dergelijke toestan-den gewag gemaakt. Het Vierset-regiment, dat te Iepereti in garnizoen lag, wordt naar Gent ver-plaatst. Dat brengt groote opschudding onder de Iepersche meisjes te weeg. Een der soldaten neemt afscheid van zijn ge-zellin : Ach! gij Iepersche meisje zoet, Ik moet u verlaten Door orders van de Staten, 't Is waar, ik moet. Ik moet mij engageeren Met een ander vrouwspersoon, Die met mij zal blijven In het gartiisoen. Het meisje smeekt den soldaat haar zijn trouw te be waren « tôt hij weder-keert ». Dan zou zij zijn vrouw worden, « van ieder geëerd ». Hij belooft haar « constant » te blijven en later met haar te trouwen. Nu overlaadt het gelukkig Iepersch kind hem met geschenken. Twee pond en half vleesch Heeft zij mij gegeven, Een brood om te leven, Een neusdoek daarbij, Op den hoed een cocarde Zeer mooi opgezet, En dat kreeg ik daar Van die schoone brunet. Aan de getrouwheid van dien min-naar, twijfelen wij sterk. De laatste stroof van het lied werpt immers een bij-zonder licht op zijn karakter. Die dit liedetje heeft gedicht, 't Waren twee grenadieren. Ze weten van zwieren, Ze weten van epel. 't Waren twee soldaatje» Van 't Vierset-regiment, En dat maakt m'aan de meisjes Van Ieper bekend. Wie onze oude liederboeken wil raad-plegen zal deze oorlogsbloemlezing kunne» aanvullen met t»! van atukjes nos, die een frisschen kijk geven op het krijgsleven in vroegere eeuwen. De plaatsruimte, waarover we beschikken, laat ons niet toe er heden meer van te geven. Nochtans willen wij hier nog enkele verzen uit een oorlogsliedje van onzen grooten Vondel aanhalen, omdat ze het verlangen naar vrede, dat in ons aller harten ligt, zoo bondig aïs tref-1 fend uitdrukken. Zijn tijd werd ook voortdurend door bloedige oorlogen ver-ontrust, handel en nijverheid lagen stil en de menschen baden om vrede. Toen schreef Vondel woorden, die wij nu toi de onze maken kunnen : Zing de oorlog peis, Zing de zwaarden in dé scheeden, Zing de welvaart in de steden, Zing de schepen aan de ree, Zing het onweer nit de zee. M. Jeneverpolitiek Hebt ge de « mannen van 't kantje > reeds hooren praten over den oorlog, lezer? Dan hebt ge veel onzin hooren vertellen, niet waar? 't Schijnt dat de Sinjoren dat altijd gekunnen hebben Volgende schets is genomen uit Hel Boek der Vertellingen van Reinaart d< Vos (uitgaaf G. Janssens). Ze dagteekent van 1863. Men zou zeggen dat z< van gisteren is. * # * JAN PATAT. — Zeg, Trezeken, geei er mij nog eentje. Van de flesch, hoor-de 't : de andere is te jong. TREES. — Zij gerust, Jan. Voor ka lanten gelijk gij geef ik altijd iets dai goed is, ge weet het. Ge moet maar vai de flesch vragen, dan weet ik het. SUS PIEREWIT. — Geef er mij ool eentje, mijn trotteken ; dit is 't veer-tiende. Maar wat voiler dezen keer.zulle 'k Weet niet, Jan, maar onze sjik smaaki mij vandaag niet. Het is nochtans tabal uit de Blauwe Hand. JAN. — Die valt mij wat plat. Haa hem eens op d(S Kattenvest. Die houd wel eens zoo goed tegen. Zie, dit is mijr rolleken van gisteren nog. SUS. — A propos, Jan, waar zijt g< tegenwoordig a,;m bezig? Zijt ge nog b; de groote ploeg? JAN.— Ikke? Neen, ik ben aan't los sen aan de groote stukken kanon, dit daar aan den Verloren Kost liggen ; gc weet wel ? SUS. — Ha ! ja. Ze zeggen dat die var Girribaldi komen, he? Dat moet toct een kerel zijn, om zulke stukken te kra-zeeren ! Ze zijn plat geschoten als eer mispel. JAN — Ik mein dat ze van Sjabasto-pol komen, van den koning van Rusland en dat de ziekte er aan is, gelijk aan de patatten. SUS. — Allez ! Van Sjabastopol ! Zc zijn immers langs Oosterweel gekomen, en Sjabastopol ligt aan den kant van Hoboken. Frankrijk ia achter Scherpen-heuvel, en Rome... JAN. — Gade zwijgen, landver-draaier? Zeg, Kobe, gij die ailes weet, kom eens hier. Wij hebben een dispuul over die kanons, die daar aan den Verloren Kost liggen. SUS. — Ja, Jan wil hebben, dat ze van Sjabastopol komen, en dat er de patatziekte aan is. Ik zeg ekik, dat ze van Girribaldi komen, uit Italje, en dai ze kapot geschoten zijn. KOBE.— Kapot geschoten ! Wat hebi gij u laten wijsmaken? Gesmolten var de hitte, ja, op de bergen van Italje. Mei dat het daar zoo hoog is en zoo dicht bij de zon, daarom zijn ze gesprongen: wanl het is daar zoo heet dat de tabak in den zak aan 't vonkeu geraakt, als ge hem niet nat houdt. Ik ben eens in Vlissin-gen geweest, en dat ligt er niet ver van-daan. Wel, als ge daar op het dak van een huis zit, dan ziet gij de halve we-reld. De vuurbergen vliegen er in brand van de zon, gelijk een fosforieksken. 't Is daar dat die stekskens vandaan komen. Ze groeien daar met duizenden op de bergen. 't Is er meest altijd oorlog tegen den Engelschman, die de fosfo-riekskens geerne zou binnenpalmen ; want daar zit een fortuin in, en de pau-zin van Engeland heet veel kinderen te onderhouden. JAN. — Die schobbejak van een Engelschman ! Hij heeft zeker nog geen vuurwerk genoeg, die deugniet? Geeft hem nu nog de fosforiekskens.dan steekt hij de geheele wereld in brand. Als ik Girribaldi was, hij zou er niet aanko-men. Ja, zie, Kobe, als ik koning was van Rusland, die de sterkste monark is van heel den Afrik, ik spande met den keizer van Amerika, om den Djek een botering te geven dat hij uit zijne oogen niet meer zou zien. SUS. — Hoe heet die koning weer, Kobe, dien wij daar op die print zagen? KOBE. — De koning van Apels, wilt ge zeffgen. Zoo'n jonge kerel, he? SUS. — Neen, neen. Wacht eens, hoe is 't weer?... Fik... Fik... JAN. — Fikfak? SUS. — Och, gij ! Fiktor Manewel, geloof ik. Ge weet wel,die daar zoo goed tr«kt c>p Suskent i*x RatUtuyanger, mM zijn moestassen tôt achter zijn ooren en zijn klein paddeneusken. KOBE. — Ja, dat is Fiktor Manewel, die daar zijn Savoeien aan Ampolion verkocht heeft. Ik heb gehoord, dat die nog sigarenmaker is geweest, bij de Zweep-zaliger. Wel, als het die is, dan is 't geene kleine schoelie. Tôt zijn wieg toe heeft hij ginder verkocht, zeggen ze. Girribaldi is eigenlijk zijn kommis-fiaz-zettr en die maakt zeer goede zaken in Italje. Hij koopt er al de appelsienen en nootjes op en geeft appels in retoer. Maar de Djek biskeert daarop, en zoo-haast als de waters van Afrik open zijn... JAN. — Zijn die niet open, Kobe? Het is nochtans zomer. "KOBE. — Hier, ja ; maar ginder is 't eerst zomer als 't hier winter is. Wel, als de waters open zijn, dan zult ge den Rus en den Polak zien afkomen, met hun Kozakken en Araben en ailes. Dat - zijn mannen die niet pluis vallen, zulle ! Daar moest ge mij nen pere eens hooren over spreken, als Bel Kadeer, met twee-maal vijf-en-twintig duizend Indianen, de Chinezen in Afrik is komen aanval-1 len. Toen werd er gevochten ! Daar is Sjabastopol niets tegen ! Daar zijn er met honderden gaan loopen, omdat hun-ne beenen afgeschoten waren. SUS. — Maar, Kobe, als hunne beenen afgeschoten waren, he>e kosten ze : dan gaan loopen? KOBE. — 't Is goed te zien, dat ge :, nooit in den oorlog geweest zijt. Als ge ! die trompetten, die trommels en die ka-I nons allemaal hoort, dan zoudt gij loo-: pen, al waart ge uwen kop kwijt. iJAN, — Afrik, dat ligt immers aan den kant van Borgt, he, Kobe, langs ■ daar, waar de dag opkomt. Het moet : daar verdjanters heet zijn : daar komt de . zon tegen den grond. Ik heb hooren zeg- I gen dat het daar 's iniddags zoo heet is, ■ | dat ze een nat zeil moeten voor de zon . j spannen, en dan zeggen de menschen j hier dat het een klips is. Daar, Treze-; ken, geef er mij nog een ; dat is dan het elfste. Van de flesch, zulle! KOBE. — Wie zoudt ge wel denken [ wat de sterkste monark tegenwoordig is, . gij die zoo erg wilt zijn, he? JAN. — Wel, de Chinezen! SUS. — Neen wel, 't is de Belsje nas-. jong. ■ KOBE. — Allez ! De Chinezen ! De Belsje nasjong ! De Pruis, ja, dat is de sterkste van al. Daarom zeggen ze voor | een spreekwoord : Het zal pruissisch \ zijn. De koning van dat land heeft wel zesmaal honderd duizend man onder de wapens, zonder de garde sjiviek. En ziet eens wat voor kerels het zijn ! Ik ken er ' eenen, die al tachtig jaar oud is en die al zijn haar nog heeft. Bij de Chinezen is er bijna niemand, die nog iets anders heeft dan een keu, op 't midden van zijnen bol. En onder de Belzjen, ziet eens hoeveel kaalkoppen ! Daar zijn er van dertig jaar, die al een kalot dragen. En dan, de geweren van de Pruissen zijn wel zooveel langer dan de onze ; komt daar maar eens aan. Zij hebben vijf voor tegen ons. En kanons van twintig voet. JAN. — Ik houd het met de Fran-schen. Die komen overal door. Ziet de Zwaven eens, hoe die vechten met de baggenet ! En hun kavalderie, laat die e>ok maar los, zulle ! Aan den Malakof-toren zijn er geweest, die drij Russen op hun baggenet hadden. SUS. — En de Engelschen dan, met hun vloot. Laat daar de Belzjen eens tegen op komen. De Zwitsers mogen er nog al bij zijn. JAN. — Allez! SUS. — Watte ! Allez? Durft gij eens wedden, voor 'nen kapper, bakkes af? Ge moet den Teut dat hooren vertellen ! Die is mee naar Sinte-Lena geweest, als Ampolium daar op gezet werd.Ieder Engelschman krijgt een vaatje .rhum, als hij gaat vechten, en dan kan hi] er tegen. 't Is geen klare, gelijk bij ons, he, Kobe? KOBE. — Bij langen niet ! Zoudt gij gelooven, dat de Belzzen ook nog al zouden vechten, als 't er op aan kwam? Wij hebben immers ook een vloot, en honderd duizend man? En dan de garde sjiviek ! Ampolium riep altijd : Vivan de Belzje! In de batalie van Waterloo, riep hij nog: Couraze, mes anfa! Waren wij er bij gekomen, hij had zeker gewonnen. Maar als hij zag, dat wij ons tegen hem keerden, dan zei hij : Batal pardu toute pardu! zei hij, la Belzje veut pas avec nous, zei hij. Ja, ja, dat heb ik hooren vertellen van 'nen ouden gar-donneur, die zei het ook, dat de Belzjen jannen waren. Ze lieoen tegen het kanon op, gelijk de katten, zei hij : en te Sjabastopol waren ze ook de eersten als ze sarzjeerden, zei hij. JAN. — Ja, Kobe, we zouden wijlie wel vechten, als ze ons een goede bor-rel schonken. Maar wat kunt ge doen met vijf centiemen, gelijk ze aan de for-ten geven? SUS. — Dat is mijn gedacht ook. Een goei borrel, dat is gewonnen. KOBE. — Pakken wij er nog een? JAN. — Ja, als Kobe nog wat van den oorlog ver tel t. KOBE. — Hoort eens, vrienden, ik ben er vandaag niet in. Anders weet ge wel, dat ik er nog al wat van ken. Allo, ajanté, zulle mannen, en salut ! JAN m SUS. - Dag. Kofe* ! DAGELIJKSCH NIEUWS ONS HOOFDARTIKEL. — Wij ves-j tigen de aandacht van onze lezers op het zeer schoone artikel « Oorlogs- en Solda-denliederen » dàt wij vandaag afkondi-gen en dat van de hand is van een onzer allerbeste en meestbefaamde letterkundi-gen en van wien we kortelings een nieu-we belangrijke bijdrage zullen kunnen mededeelen. MILITIEVERGELDING. — UITBE-TALING. — De uitbetaling der militie-vergelding zal wekelijks geschieden ge-durende vijf dagen in de feestzaal, Meir-plaats, te beginnen met Donderdag 15 April aanstaande. De rechthebbenden dienen zich per-sooulijk aan te bieden tusschen 10 en 4 uren (torenuur) de hiernavermelde dagen en in alphabetische orde (volgens naam van den inilitair) : Dorvderdag : van A tôt en met De D. Vrijdag: De F. tôt en met H. Zaterdag : I tôt en met Q. Maandag : R tôt en met Van de W. Dinsdag : vari de Z tôt en met einde. OOK POLITIEK. — Een konfrater, die niet aan politiek doet, vooral niet in dezen tijd ,is zoo braaf een les te geven in vaderlandsliefde aan wie die zouden denken nodig te hebben ; — en tevens op-pert hij een wensch : er zou in elk land slechts ééne partij mogen zijn, en tôt die partij zouden allen behooren die hun Va-derland met woord en daad liefhebben... Niet egoïst of socialist, maar evolution-nist en altruist moest onze leuze zijn. Dat is ook politiek ; doch eene politiek die reeds door velen wordt gepratikeerd. Altruist zijn, is de evennaasten liefhebben en voor zijn welzijn ijveren. Dat doen velen : maar omdat ieder in zich zelven zijn besten vriend vindt, zorgt men eerst voor vaders' zoontje. Evolutionnist zijn heet, zich met jden tijd laten meevoeren en de dingen aanvaarden gelijk ze komen, — en er van profiteeren naar behooren. Dat is de politiek van den natten vinger... Heeran ELKOTRIEKBEWERKERS vratgi de prijs voor al uw* bsnoodighedtn. t!*ook voor de nieuwe lamp 0SRAMJ/2WATT van 100 KAÂRSEN bij depotkoudeTS der lamp : 9W' KATTÉ & C*. Handelalel 149, Anîwerpen EEN KETTER. — In een katholiek lokaal heeft een pater eene voordracht gegeven over het onderwerp : Hoe men met geringe middelen in aile huishoudelij-ke behoeften voorzien kan. Deze brave man is zeer ervaren in théorie, en heeft dan ook theoretisch kostbaren raad gegeven.Maar hij deed nog meer : hij heeft be-vestigt wat ons, rationalisten, ketters, vrijdenkers die we zijn, danig heeft ver-baasd, maar wat zeer waar is : de gods-dienst is slechts eene zaak van bijkomend belang. De behoeften van den mensch zijn : voeding, woning, strijd, versiering, kleeding. Dat zijn, volgens den pater, de vijf al-lereerste behoeften. Als een teeken van vergevorderde beschaving voegen zich hierbij : godsdienst, uitspanning, kunst. Godsdienst is dus slechts eene behoefte van zesden rang. Leefden we nog in den tijd van Sint-Dominicus, die brave pater werd ver-brand.ONDERSTEUNING AAN ANT-WERPSCHE KINDERTJES. — De nood klaagt van aile zijden nu reeds maanden lang, en het doet leed altijd weer nieuwe beden te moeten richten tôt de reeds zooveel bezochte menschlievend-heid van Holland en van onze in Holland verblijvende landgenooten. Maar als het den nood van kleine kinderen geldt, weet de naastenliefde telkens nieuwen raad. En de nood is groot onder de arme klei-nen in België. Ondergeteekenden ontvin-gen uit Antwerpen van het provinciaal vrouwelijk komiteit voor kleeding en kin-dervoeding een schrijven om hulp, waar-uit blijkt dat bij gebrek aan behoorlijk kindervoedsel en kleeding wekelijks 48 zuigelingen sterven, tegen 10 in normale tijden, en dat het werk « Moederplicht en Kinderzorg » te Boom, dat elke week 80 kinderen verpleegde, verplicht is geweest zijn arbeid te staken, bij gebrek aan voedingsmiddelen. Ondergeteekenden zullen elke hulp, in natuur of in geld met dankbaarheid ont--vangen en naar Antwerpen laten over-brengen. Zij zijn echter zoo vrij er de aandacht op te roepen dat het Ant-werpsch Komiteit over de noodige vrou-welijke arbeidskrachten beschikt om de stoffen voor kleeding ter plaatse zelf, volgens behoefte te doen verwerken. Helpt onze arme volkskinderen ! Eene kleine gift kan een leven redden. Mevr. F. Van Cauwelaert-Gevers, Deynootweg, 81, Scheveningen, Mevr. L. Gevaert, Hôtel Witteburg, Scheveningen. Het Antwerpsch komiteit ontving reeds eene eerste zending van fr. 617,25 en verwacht eerstdaags eene tweede zending >■ kiaedingstukka» efltwareo. HET WERK VAN DE «COMMIS-SION FOR RELIEF». — Een Ita-liaansche dagbladschrijver, die eene om-reis deed in ons land, vertelt in de « Cor-riere délia Sera » de manier waarop de « Commission for Relief in Belgium », de gevestigde organismen in ons land voorzien in de bevoorrading van onze bevol-king.Na een overzicht gegeven te hebben van de Belgische en vreemde vrijgevig-heden, die de oprichting van het werk toegelaten hebben verklaart de journa-list : « Het is de meest uitgebreide liefda-digheidsbeweging welke de wereld ooit zag. » Eene waarlijk merkwaardige finan-cieele inrichting, voegt hij erbij heeft toegelaten de nuttige gevolgen van de vrij-gevigheid te vermenigvuldigen. Daar-voor, heeft de Amerikaansche staf al de bronnen von zijnen positieven geest, zijn onvergelijkbare zakenkennis en zijne ver-eenvoudigende werkkracht. De inrichting van den onderstand wordt behandeld op de wijze van de « business », de vrij-gevigheid is gêgrondvest op de wijze van een trust ; het alzoo verkregen bevoorra-dingsmekanism is een echt meesterstuk op handels- en financieel gebied. » DE BIBLIOTHEEK IN OPEN LUCHT. — Het is bij de boekverkoo-pers langs de Seinekaden, dat zij zich ontwikkeld heeft. De enkele liefhebbers, die er zich soms uren achtereen ophielden om de muffe boeken, welke zich in de uit-staldoozen bevinden, door te bladeren, zijn nu legio geworden. Vooral des Zon-dags is er steeds eene groote menigte aanwezig. De vrouwen, gemakkelijk op stoeltjes gezeten, vormen er een kring, niet zoozeer om de boeken te zien dan wel om te babbelen. En de werklieden, de kleine bedienden, de werkeloozen, stroo-men van aile kanten derwaarts. De boekverkoopers, die vreedzame philosofen, laten ailes toe, terwijl zij zich beklagen dat er niets te verdienen valt. Want men leest maar koopt niet, of zeer weinig. En wat wonderlijk is ! het pu-bliek verkoopt eveneens geene boeken, juist het tegenovergestelde van wat men zou denken. Waarom. — « Och, het is omdat de lieden denken dat er toch geene koopers zijn », legt een oude boek-verkoper uit. En zij hebben geen ongelijk. En de prijzen zijn gestegen, bij gebrek aan aanbod. De geschiedenisboeken vooral zijn zeer in trek, ofschoon onze stock niet zoo ruim voorzien is, als op gewone tijden, waneer de studenten te vroeg hun maandgeld verteerd hebben. Helaas! Zij zijn ver van hier... zij zijn in de loopgraven, onze beste leveranciers ! Uit een klein onderzoek, door een jour-nalist ingesteld, is gebleken, dat de wer-ken aangaande de geschiedenis van het Eerste Keizerrijk, gedurende het toppunt van zijne macht en in zijn verval, het grootste aantal koopers en lezers vindt onder de klanten van de openlucht biblio-theek.DE TELEGRAAF IN DEN OORLOG. — Gedurende de Engelsche-Boe-renoorlog maakte men voor de eerste maal gebruik van de elektrische tele-graaf op het oorlogsveld. Gedurende de Russisch-Japaneesche oorlog bediende men zich van de telefoon, telegraaf en te-legraaf zonder draad. Heden gebruikt men algemeen de telegraaf zonder draad, bijvoorbeeld om signalen te wisselen met de vliegers. In dit geval heeft de loods van het vliegtuig het hoofd bedekt met een pneumatieke helm, die hem belet ge-stoord te worden door het gerucht van den motor. DE RADIUM BLIKSEMAFLEI-DER. — Uit het « Algemeen Handels-blad » : Te Parijs zijn dezer dagen nog eens proeven genomen met den radium blik-semafleider. Zooals men weet, is de taak van den bliksemafleider, de bliksem tôt zich te trekken, en later naar veiliger oorden te geleiden. De aantrekkingskracht van den bliksemafleider wordt verhoo'gd door een aantal fijne puntjes. Onlangs heeft men gevonden, dat radium, dat de luchtlaag geleidend maakt ; nog beter voor dit doel geschikt is. Radium dwingt den bliksem tôt zich. Men heeft de proef genomen met een bliksemafleider, waarin op een koperen buis van 3.5 meter hoogte eer. ring van kleine puntjes en daarônder een koperen ring van 250 millimeter doorsnede werd aangebracht. Rondom den koperen ring Iiep een bandje, 28 milimeter breed en ge-vormd door 2 milligram radiumbromide. Om regen- en temperatuurs veranderin-gen beter te kunnen doorstaan, moest hij electrolytisch neergeslagen worden. Zoo-wel in het laboratorium als in de vrije rustige atmosfeer bleek deze bliksemafleider succès le hebben. Wanneer op een afstand van 4/5 meter eene kleine elec-trotatische machine van 5 centimeter vonklengte werd gezet, gaf een electro-meter, aangebracht op de buis van den bliksemafleider 350 volt aa».

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks Het Vlaamsche nieuws behorende tot de categorie Gecensureerde pers. Uitgegeven in Antwerpen van 1915 tot 1918.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie